Documents les plus récents

  • Décision judiciaire de Raad van State, 2 juillet 2020

    Het rijverbod heeft maar op een beperkte tijdspanne, wezenlijk tijdens de schoolspitsuren, betrekking. Het was bijgevolg voor verzoekster in het bijzonder zaak om met afdoende gestaafde, nauwkeurige gegevens te doen aannemen dat niettemin het bestreden besluit voor haar een toestand van UDN deed ontstaan die onverenigbaar is, niet slechts met een behandeling van de zaak in een beroep tot nietigverklaring, maar zelfs met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing. Verzoekster brengt geen enkele precisering bij, noch enig stavingsstuk in verband met de beweerde nadelige gevolgen. Het belet de RvS een minimaal duidelijk zicht te krijgen op de impact van het aangevochten besluit op verzoeksters concrete werking en (financiële) toestand.

  • Décision judiciaire de Raad van State, 1 juillet 2020

    De verzoekende partij maakt geen schending van het beginsel van de vrijheid van ondernemen, verwoord in art. II.3 WER, aannemelijk. Dit beginsel kent beperkingen, zoals mag blijken uit het bepaalde in art. II.4 WER. De regelgeving inzake ruimtelijke ordening kan geacht worden te behoren tot die regelgeving die bij de uitoefening van de vrijheid van ondernemen in acht moet genomen worden. De noodzakelijkheid van een beperking aan de vrijheid van ondernemen dient niet in het bestreden besluit te worden aangetoond.

  • Décision judiciaire de Conseil d'État, 30 juin 2020

    L\u0027article 96, § 1er, alinéas 1er, 3 à 6, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d\u0027environnement a été inséré dans ce décret par l\u0027article 81 du décret-programme du 22 juillet 2010 portant des mesures diverses en matière de bonne gouvernance, de simplification administrative, d\u0027énergie, de logement, de fiscalité, d\u0027emploi, de politique aéroportuaire, d\u0027économie, d\u0027environnement, d\u0027aménagement du territoire, de pouvoirs locaux, d\u0027agriculture et de travaux publics, dont les travaux préparatoires ne comportent pas de commentaires utiles afin d\u0027en préciser la portée. Il ressort de l\u0027alinéa 5 du paragraphe premier de l\u0027article 96 précité que le Gouvernement ou son délégué est compétent, au stade de l\u0027examen du recours en réformation concernant un projet mixte, pour constater l\u0027existence d\u0027une demande d\u0027ouverture, de modification ou de suppression d\u0027une voirie communale au sens du décret du 6 février 2014 relatif à la voirie communale et, sur cette base, lancer les procédures requises. Cette disposition permet ainsi, au stade du recours administratif, de «\u00a0déclencher\u00a0» la procédure relative à la voirie communale, si celle-ci ne l'a pas été au premier stade de l'instruction de la demande de permis. Les prérogatives susvisées pour pouvoir constater l\u0027existence d\u0027une demande d\u0027ouverture, de modification ou de suppression d\u0027une voirie communale au sens du décret du 6 février 2014 s\u0027opèrent sans préjudice de la compétence du conseil communal en la matière, telle qu\u0027énoncée à l\u0027article 7, alinéa 1er, du décret précité.

  • Décision judiciaire de Conseil d'État, 30 juin 2020

    S\u0027agissant de l\u0027alinéa 1er de l\u0027article 111 du CWATUP, l'agrandissement doit s'entendre de l'action de rendre plus grande la construction existante, de sorte que l'agrandissement est, en tout état de cause, concevable lorsque la construction nouvelle n'est que l'accessoire d'un principal, tous deux formant un même ensemble tant au plan des constructions que de l'affectation. L'agrandissement peut porter sur une partie de la construction modifiée en ayant un objet différent de la construction existante tout en conservant un lien avec celle-ci. La nécessité d'un lien physique entre l'objet de l'agrandissement ou de la transformation et le principal ressort encore de la nouvelle phrase de l'article 111, alinéa 1er, qui permet, mais seulement pour les modules de production d'électricité et de chaleur, que ceux-ci soient «\u00a0implantés de manière isolée\u00a0». Une telle question relève de la qualification, sur laquelle le pouvoir du Conseil d'État est complet.

  • Décision judiciaire de Conseil d'État, 30 juin 2020

    Lorsqu\u0027un permis d\u0027urbanisme se fonde sur un permis d\u0027urbanisation annulé, lequel est censé n\u0027avoir jamais existé, il est de ce fait lui-même illégal. La circonstance que les permis d\u0027urbanisation en vigueur n\u0027ont plus qu\u0027une valeur indicative, conformément à l\u0027article D.IV.114, alinéa 2, du CoDT, ne modifie en rien le constat selon lequel un des fondements juridiques sur la base duquel le permis attaqué a été adopté a disparu rétroactivement de l\u0027ordonnancement juridique, ce qui a, du reste, vicié l\u0027appréciation en droit et en fait retenue par l\u0027autorité qui l'a délivré.

  • Arrêt Nº237408 de Conseil du Contentieux des Etrangers, 24/06/2020
  • Décision judiciaire de Raad van State, 24 juin 2020

    Het past, in de specifieke omstandigheden van de zaak, om de kosten ten laste van de verzoekende partijen te leggen. Daar is evenwel geen rechtsplegingsvergoeding bij vermits de verwerende partij niet geacht kan worden een "in het gelijk gestelde partij" te zijn als bedoeld in art. 30\/1, § 1, eerste lid, van de RvS-wet. De onontvankelijkheid te dezen is immers het gevolg van de inwerkingtreding van hoofdstuk 4 van het decreet van 15 juli 2016 'betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid', waardoor de assortimentswijziging die met de bestreden beslissing wordt vergund niet meer vergunningsplichtig is.

  • Décision judiciaire de Raad van State, 24 juin 2020

    De beoordeling van opportuniteitskritiek behoort niet tot de bevoegdheid van de RvS, die een wettigheidsrechter is. Het komt de RvS niet toe om, in de plaats van de gemeenteraad, zelf uit te maken hoe de openbare weg het best wordt ingericht en welke infrastructuur er het best wordt in opgenomen.

  • Décision judiciaire de Raad van State, 23 juin 2020

    In zoverre het middel de miskenning van de aan de RvVb voorgelegde akten aanvoert en het de RvS ertoe verplicht om na te gaan of die akten het bewijs van een feit bevatten, is het onontvankelijk.

  • Décision judiciaire de Raad van State, 23 juin 2020

    Uit art. 11.4.1 van het inrichtingsbesluit blijkt dat para-agrarische bedrijven kunnen worden toegelaten in agrarisch gebied. Bij ontstentenis van nadere omschrijving ter zake, moet deze term in zijn spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen. Daaronder moet worden verstaan bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw in de ruime zin aansluit en erop afgestemd is. De RvVb gaat ervan uit dat het op volwaardige en professionele wijze houden van meer dan 10 paarden van derden een activiteit is die onmiddellijk aansluit bij de landbouw in de ruime zin en erop afgestemd is, en derhalve een para-agrarisch bedrijf is, waardoor de RvVb art. 11.4.1 van het inrichtingsbesluit schendt.