Case Law

Documents les plus récents

  • Case of Raad van State, June 01, 2021

    Art. 1.1.4 VCRO bepaalt onder meer dat bij de ruimtelijke ordening de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen. Uit de voormelde beginselbepaling volgt dat de diverse binnen artikel 1.1.4 VCRO bedoelde behoeften en de daarmee gepaard gaande aanspraken op de ruimte evenwichtig en gelijktijdig tegen mekaar moeten worden afgewogen en dat bij deze afweging onder meer rekening dient te worden gehouden met de gevolgen voor het leefmilieu. De gevolgen voor het leefmilieu van het behoud van de zonevreemde bedrijven op hun huidige locatie zijn niet evenwichtig en gelijktijdig afgewogen tegen de economische en sociale wenselijkheid om een einde te maken aan de zonevreemdheid van deze bedrijven.

  • Case of Raad van State, May 28, 2021

    Verzoekers hebben belang bij het aanvechten van -het op hun toepasselijke deel van- het bestreden algemeen politiereglement. Dat zij noch de voorheen geldende algemene politiereglementen noch de gemeentelijke belastingverordening voor de periode 2013-2019 hebben bestreden, vermag aan hun belang geen afbreuk te doen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de geviseerde bepalingen inmiddels zijn "hervastgesteld" bij een later gemeenteraadsbesluit. Zij hebben de beperkende maatregelen voor hun eigendommen ingevolge de bestreden politieverordening gedurende een zekere periode moeten ondergaan, zodat hun belang intact blijft voor de periode waarin de kwestieuze bepalingen hebben bestaan en uitwerking hebben gehad. Een gebeurlijke vernietiging van de relevante bepalingen van het bestreden algemeen politiereglement heeft niet tot gevolg dat het opgeheven algemeen politiereglement herleeft.

  • Case of Raad van State, May 28, 2021

    De door de verzoekende partijen eerst in hun laatste memorie aangevoerde schending van art. 2.2.6, § 2, VCRO is laattijdig en onontvankelijk. Hun betoog dat deze bepaling de openbare orde raakt en dat de schending ervan te allen tijde kan opgeworpen worden, kan geen bijval vinden.

  • Case of Raad van State, May 26, 2021

    Naar luid van artikel 41 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 'houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers' treedt de werkgever bij een aanvraag tot toelating tot arbeid op als vertegenwoordiger van de werknemer, dit door de ondertekening van de arbeidsovereenkomst. Derhalve dient verzoeker te worden beschouwd als de aanvrager die belang heeft bij het beroep tot nietigverklaring tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de aanvraag. De verwerende partij kan dus niet worden gevolgd waar zij stelt dat het door verzoeker ingestelde beroep niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang omdat zijn werkgever geen beroep heeft ingesteld tegen de BB terwijl deze wel de aanvraag heeft ingediend en de BB ook aan de werkgever werd betekend.

  • Case of Raad van State, May 25, 2021

    Na het sluiten van het debat is gebleken dat verzoeker met pensioen is. Dit doet vragen rijzen over verzoekers actueel belang bij zijn beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen de benoeming van enkele collega's. Aangezien er over dit nieuwe gegeven geen debat is gevoerd, is er grond om de zaak opnieuw op te roepen. De RvS heropent het debat.

  • Case of Raad van State, May 20, 2021

    De artt. 37, 38 en 39 van het bodemsaneringsdecreet bevatten specifieke regels van toepassing op de overdracht van mogelijk verontreinigde gronden. Deze regels waren er in hoofdzaak op gericht te vermijden dat door de overdracht de gebeurlijke saneringsplicht in hoofde van de overdrager zou vervallen. Ze deden geen afbreuk aan de artt. 10 en 31 die bepaalden wie in beginsel saneringsplichtig was en onder welke voorwaarden deze kon worden vrijgesteld. Deze artikelen waren reeds in werking getreden op 29 oktober 1995, zes maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Voor de saneringsplicht van de verzoekende partij was het daarom niet relevant dat de artt. 37, 38 en 39 pas 11 dagen na de notariële akte in werking zouden treden, gegeven dat overigens ook in de bestreden beslissing wordt vermeld. In de mate dat de regeling inzake overdracht van risicogronden tot nog grotere alertheid kon leiden, moet worden opgemerkt dat die toekomstige regeling - met daarin ook een rol voor de gemeentebesturen - reeds samen met de rest van het decreet was bekendgemaakt op 29 april 1995. De lijst van inrichtingen en activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken was als bijlage 1 bij VLAREBO reeds bekendgemaakt op 27 maart 1996.

  • Case of Raad van State, May 20, 2021

    Bij arrest nr. 249.402 van 31 december 2020 heeft de RvS de nietigverklaring uitgesproken van artikel 1, 3°, en de artikelen 5 en 6 van het KB van 8 juli 2018 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 maart 2015 houdende de organisatie van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking'. De door het voorliggende beroep bestreden bepaling van het KB van 8 juli 2018 is ten gevolge van deze nietigverklaring met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer verdwenen. Het voorliggende beroep heeft dan ook geen voorwerp meer. Om die reden is het beroep onontvankelijk en dient het te worden verworpen.

  • Case of Raad van State, May 20, 2021

    Uit de klare en duidelijke tekst van art. 4.3.1, § 1, VCRO blijkt dat de vergunning in geval van onverenigbaarheid zoals bedoeld in het eerste lid, geweigerd wordt, tenzij, luidens het tweede lid, in het geval er "[g]een onvolledige of vage aanvraag" voorligt, door het opleggen van voorwaarden "het recht en de goede ruimtelijke ordening gewaarborgd kan worden". Houdt zo'n voorwaarde een aanpassing van de plannen in, dan is dat, luidens het derde lid, slechts mogelijk overeenkomstig art. 30 van het omgevingsvergunningsdecreet, waaruit duidelijk blijkt dat de bevoegde overheid wijzigingen aan de vergunningsaanvraag kan toestaan wanneer de vergunningsaanvrager daarom verzoekt. Deze bepaling laat de bevoegde overheid niet toe wijzigingen aan de vergunningsaanvraag toe te staan zonder verzoek van de vergunningsaanvrager.

  • Case of Raad van State, May 20, 2021

    De beslissing van de VRM is geen rechterlijke uitspraak die met gezag van gewijsde is bekleed, maar een beslissing van een orgaan van actief bestuur. Verzoekster heeft die beslissing niet aangevochten, zodat de toen aan haar gegeven 'waarschuwing' wegens een inbreuk op het mediadecreet jegens haar definitief is geworden. De VRM heeft na een nieuw feitelijk onderzoek een nieuwe beslissing op tegenspraak genomen met een nieuwe sanctie. De administratieve geldboete die aan verzoekster wordt opgelegd treft haar minstens financieel op negatieve wijze, zodat zij een belang heeft om er een beroep tegen in te stellen. Een eventuele nietigverklaring strekt verzoekster onmiddellijk tot voordeel. Het feit dat zij vergelijkbare motieven over zich heen heeft laten gaan die in een vroegere beslissing hebben geleid tot een 'waarschuwing' en de vaststelling van een inbreuk op het mediadecreet, staat daaraan niet in de weg. De exceptie is aldus ongegrond, zowel wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft als de ontvankelijkheid van de middelen.

  • Case of Raad van State, May 18, 2021

    De beoordeling of een voorgenomen plan van aard is geen substantiële of essentiële impact op "de tekst" van een bestaand plan te hebben, en derhalve als een "kleine wijziging" kan beschouwd worden, dient verplicht te steunen op een vergelijking tussen de verordenende voorschriften van het geldende plan en die van het voorgenomen plan. De bestaande feitelijke toestand blijkt van doorslaggevend belang te zijn geweest bij het beoordelen van de vraag of met het voorgenomen plan een "kleine wijziging" voorligt. Door zich aldus op de bestaande toestand te beroepen, heeft de verwerende partij geen correcte beoordeling gemaakt van de vraag of met het voorgenomen plan al dan niet een "kleine wijziging" voorligt.