• Raad van State

Nieuwste documenten

  • Vonnis van Raad van State, 13 mei 2020

    De verzoekende partij toont in haar verzoekschrift niet aan dat de implicaties van het kwestieuze deelgebied op het vlak van mobiliteit niet afdoende zouden zijn onderzocht. Zij maakt niet aannemelijk dat het bestreden besluit met de verkeersafwikkeling niet voldoende rekening houdt en dat de voorgestelde milderende maatregelen niet afdoende bij de besluitvorming zouden zijn betrokken.

  • Vonnis van Raad van State, 13 mei 2020

    Kleinhandel en groothandel zijn twee totaal verschillende activiteiten. Het bestreden besluit laat uitdrukkelijk een toonzaal "ten bate van de kleinhandel" toe. Kleinhandel is evenwel niet als een toegelaten hoofdactiviteit voorzien, zodat de toonzaal niet gekoppeld is aan een toegelaten hoofdactiviteit. Derhalve wordt een strijdigheid van het bestreden besluit met het gemeentelijk RUP aangetoond.

  • Vonnis van Raad van State, 13 mei 2020

    De overheid die oordeelt over de aanvraag van een sociaal-economische vergunning, dient de verenigbaarheid van het gevraagde met de verordenende planvoorschriften na te gaan. Gelet op de op de verwerende partij rustende formelemotiveringsplicht moet in beginsel uit de socio-economische vergunning zelf blijken dat het planologische onderzoek op afdoende wijze is gebeurd.

  • Vonnis van Raad van State, 13 mei 2020

    Uit de uitdrukkelijke overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat de gemeenteraad - met verwijzing naar het advies van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar - de noodzaak van de inplanting van het fietspad aan de bedrijvenkant van de Metropoolstraat heeft herhaald. Uit het administratief dossier en de uitdrukkelijke overwegingen van het advies van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar en van het bestreden besluit, blijkt dat dit besluit wel degelijk berust op een motivering die betrekking heeft op de zaak van de wegen.

  • Vonnis van Raad van State, 13 mei 2020

    In het kader van de naleving van de uitzonderlijke maatregelen die de Nationale Veiligheidsraad heeft afgekondigd om de verspreiding van het COVID-19-virus tegen te gaan, hebben de partijen op vraag van de Raad van State er uitdrukkelijk mee ingestemd dat de zaak zal worden behandeld zonder openbare terechtzitting. De auditeur heeft een geschreven, met dit arrest eensluidend, advies neergelegd. Aansluitend is op 27 april 2020 dit advies via elektronische weg ter kennis van de partijen gebracht, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen.

  • Vonnis van Raad van State, 13 mei 2020

    Door aan te nemen dat er onvoldoende zicht is op de ontwikkeling van het noordelijk deel van het betrokken woongebied en door de aanleg als fietsstraat als weigeringsmotief te hanteren, wijkt het bestreden besluit af van de in het administratief dossier opgenomen voorbereidende adviezen en documenten, waardoor niet blijkt dat het bestreden besluit steunt op een rechtens aanvaardbaar en toereikend motief.

  • Vonnis van Raad van State, 11 mei 2020

    De verwerende partij brengt geen enkel bewijs bij dat de bekendmaking door aanplakking van de bestreden beslissing vroeger heeft plaatsvonden dan de datum van 26 april 2017 die in het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt vermeld. Het is nochtans zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het (tegen)bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partijen kennis hadden of konden hebben van de bestreden beslissing. Bij gebrek aan dergelijk (tegen)bewijs moet besloten worden dat het annulatieberoep tijdig werd ingesteld.

  • Vonnis van Raad van State, 11 mei 2020

    Bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning moet de overheid in de eerste plaats nagaan of de aanvraag bestaanbaar is met de bestemmingsvoorschriften vervat in de verordenende stedenbouwkundige voorschriften. Voorts dient de overheid na te gaan of de aanvraag verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. De beoordelingsbevoegdheid waarover de vergunningverlenende overheid daartoe beschikt, is omschreven in art. 4.3.1, § 2, eerste lid, VCRO (GwH 22 december 2016, nr. 164\/2016, B.11.1 en B.11.2). Luidens art. 4.3.1, § 2, eerste lid, VCRO wordt de overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening beoordeeld met inachtneming van aantal beginselen. Tijdens de parlementaire voorbereiding wordt toegelicht dat wanneer er een gedetailleerd RUP bestaat, de principes van een goede ruimtelijke ordening geacht worden in dat plan te zijn aangegeven in zoverre dat plan de decretale aandachtspunten en criteria behandelt en regelt (Parl.St. Vl.Parl. 2008-2009, nr. 2011\/1, 126). Art. 4.3.1, § 2, eerste lid, 3°, VCRO beperkt aldus de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur naarmate de verordenende regelingen die voor een bepaald perceel van toepassing zijn, gedetailleerd zijn (GwH 22 december 2016, nr. 164\/2016, B.11.3). Het begrip "beleidsmatig gewenste ontwikkelingen" is een rekbaar begrip, waarvan de inhoud niet alleen uit de ruimtelijke structuurplannen, maar tevens uit andere bestuursdocumenten kan voortvloeien (Parl. St. Vl.Parl. 2008-2009, nr. 2011\/6, 31) en sluit aan bij de ruime beoordelingsvrijheid die inzake de ruimtelijke ordening aan de bevoegde administratieve overheden dient te worden toegekend. Die beoordelingsvrijheid ontslaat hen evenwel niet van de verplichting om voor elke individuele beslissing de beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen (GwH 6 april 2011, nr. 50\/2011, B.61.3).

  • Vonnis van Raad van State, 4 mei 2020

    De RvS aanvaardt in principe dat het voldoende is een perceel\/woning die gelegen is in de nabije omgeving van een vergunde inrichting, in eigendom te hebben om van een belang te getuigen. Het is niet vereist dat een verzoeker er effectief woont.

  • Vonnis van Raad van State, 4 mei 2020

    Art. 3, 4°, van het algemeen procedurereglement bepaalt dat een rechtspersoon een afschrift van zijn gepubliceerde statuten en van zijn gecoördineerde geldende statuten bij het verzoekschrift dient te voegen. Art. 3bis, 4° van voornoemd Procedurereglement bepaalt dat het verzoekschrift niet op de rol wordt ingeschreven indien die stukken ontbreken. De zaak werd reeds op de rol ingeschreven (zonder toepassing van de regularisatietermijn in voornoemd artikel 3bis). De verzoekende partij heeft een afschrift van de gecoördineerde geldende statuten neergelegd samen met de memorie van wederantwoord. Dit volstaat om de exceptie met betrekking tot het ontbreken van de statuten te verwerpen.

Aanbevolen documenten

  • Vonnis van Raad van State, 14 juli 2017

    In de mate waarin bij de feiten weergegeven of bij de bespreking van de middelen stukken ter sprake komen die voorlopig vertrouwelijk worden gehouden, wordt enkel de inhoud ervan weergegeven zoals deze blijkt uit andere niet-vertrouwelijke stukken, uit het verzoekschrift, de nota of het...

  • Vonnis van Raad van State, 14 oktober 2014

    De zaak is ingeleid voor de minderjarige zoon, namens wie de ouders optreden als wettelijke vertegenwoordigers. Een regelmatige vertegenwoordiging die rechtstreeks voortvloeit uit de regelgeving en waaromtrent geen bijzondere opmerkingen te maken zijn, wordt niet ten overvloede vermeld in het...

  • Vonnis van Raad van State, 1 februari 2016

    De verwerende partij ontzegt verzoekster belang bij het beroep, omdat verzoekster bij haar kandidaatstelling heeft aangeduid niet te solliciteren voor het ambt van godsdienstleerkracht en zij dus niet in de voorwaarden verkeert om aangesteld te worden. De Raad stelt echter vast dat verzoekster...

  • Vonnis van Raad van State, 14 oktober 2014

    Het belang dat is vereist opdat ontvankelijk een verzoekschrift kan worden ingediend bij de Raad van State, moet bestaan op het ogenblik waarop het annulatieberoep wordt ingesteld. Het volstaat niet erop te speculeren dat verzoeksters misschien in de latere toekomst leerling zullen zijn van het...

  • Vonnis van Raad van State, 22 mei 2015

    De opdracht wordt gegund middels een onderhandelingsprocedure met bekendmaking bij toepassing van de regelgeving inzake de nutssectoren. Een onderhandelingsprocedure met bekendmaking wordt gekenmerkt door haar flexibel kader waarbinnen de verwerende partij met de inschrijvers mag onderhandelen en...

  • Vonnis van Raad van State, 27 juni 2014

    Alhoewel de offerte van de eerste en tweede tussenkomende partij slechts als tweede werd gerangschikt hebben zij er belang bij dat de vordering wordt afgewezen nu de verzoekende partij ook de schorsing van de tenuitvoerlegging bij UDN vordert van de beslissing van de PMV om hun offerte regelmatig...

  • Vonnis van Raad van State, 14 juni 2016

    Conform art. 26 van de wet van 17 juni 2013 komt het aan de RvS toe om het aangevoerde vertrouwelijke karakter van de betrokken stukken van het administratief dossier te beoordelen en daarbij de vereisten van een eerlijk proces en die van het zakengeheim met elkaar af te wegen. Te dezen kan worden...

  • Vonnis van Raad van State, 17 maart 2015

    Artikel 95 van het koninklijk besluit Plaatsing, dat de aanbestedende overheid verplicht de regelmatigheid na te gaan van de offertes van de inschrijvers die aan de voorwaarden van het toegangsrecht en de kwalitatieve selectiecriteria voldoen, is niet van toepassing bij een onderhandelingsprocedure....

  • Vonnis van Raad van State, 13 juli 2017

    In fase 1 van de onderhandelingsprocedure worden de offertes beoordeeld. Daarna volgt fase 2 met een mondelinge toelichting van "de ingediende offerte". Het toelaten tot de mondelinge toelichting betekent niet automatisch dat de aanbestedende overheid die offerte regelmatig heeft...