• Raad van State

Nieuwste documenten

  • Vonnis van Raad van State, 8 mei 2018

    Art. 4.4.23, eerste lid, VCRO, in zijn toepasselijke versie, bepaalt dat het vergunningverlenende bestuursorgaan bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige functiewijziging van een gebouwencomplex, mag afwijken van de bestemmingsvoorschriften voor zover voldaan is aan onder meer de voorwaarde dat het gebouwencomplex op het ogenblik van de aanvraag beantwoordt aan onder meer de vereiste dat het hoofdzakelijk vergund is. Het in het aangehaalde art. 4.4.23, eerste lid, bedoelde gebouwencomplex bestaat uit de vrijstaande woning in tweede bouwlijn en het landbouwcomplex, bestaande uit de oude hoevewoning, de broeierij en de landbouwloods. Door te beslissen dat het niet uitvoeren van de vergunningsvoorwaarde om het landbouwcomplex ni...

  • Vonnis van Raad van State, 8 mei 2018

    De verzoekende partij voert een enig middel aan dat teruggaat op de gegrondverklaring door de RvVb van het eerste middel van de verwerende partij. De GSA aan wie met het bestreden arrest het bevel is gegeven om een nieuwe beslissing te nemen over de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij, mag bij het nemen van een nieuwe beslissing het te dezen bekritiseerde vernietigingsmotief dan ook niet meer in vraag stellen en dient derhalve dit met gezag van gewijsde beklede vernietigingsmotief te eerbiedigen. De verzoekende partij kan, bij het aanvechten voor de RvVb van deze nieuwe beslissing van de GSA, dit in het bestreden arrest door de partijen betwiste en door de RvVb beslechte rechtspunt, evenmin als de RvVb zelf, ook niet meer in vraag stellen. Uit wat voorafgaat volgt dat het cass...

  • Vonnis van Raad van State, 8 mei 2018

    Het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 vindt rechtsgrond in art. 5.6.7, § 1, derde lid, VCRO dat de Vlaamse Regering machtigt om de bestemmingsgebieden aan te wijzen waarin geen zonevreemde milieuvergunning kan worden verleend. Een legistieke slordigheid bij de verwijzing naar de bepaling van de VCRO waaraan de Vlaamse Regering uitvoering geeft, brengt niet mee dat aan het betrokken reglementair besluit een strekking moet worden gegeven die niet ingepast kan worden in de rechtsgrondbiedende bepaling van het decreet. Bovendien is het in dit geval bij elke gemiddelde aandachtige lezer meteen duidelijk dat de verwijzing naar art. 5.6.7, § 2, eerste lid, VCRO in dit kader, volstrekt zinledig is. Bijgevolg wordt niet aangenomen dat het besluit van de Vlaamse Regering van 28 ap...

  • Vonnis van Raad van State, 8 mei 2018

    Ambtshalve wordt vastgesteld dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing waarbij enkel akte wordt genomen van de door haar ingediende melding van exploitatie van een klasse 3-inrichting.

  • Vonnis van Raad van State, 8 mei 2018

    De statuten van de verzoekende partij voor de MHHC, die bij het verzoekschrift waren gevoegd, bepalen dat het optreden in rechte namens de vereniging wordt verricht door de raad van bestuur. Bij het verzoekschrift was eveneens een door de gedelegeerde bestuurder ondertekende verklaring gevoegd, waarin wordt bevestigd dat de raad van bestuur, tijdig, heeft beslist om tegen de administratieve beslissing een beroep bij het MHHC in te stellen en volmacht heeft verleend aan de procesvertegenwoordiger. Een dergelijke verklaring volstaat als bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden in de zin van art. 16, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges.

  • Vonnis van Raad van State, 8 mei 2018

    Door de vergunning niet te weigeren hoort de verwerende partij "gepaste voorwaarden" op te leggen als bedoeld in art. 8, § 1, DIWB en art. 4, § 1, 2°, van het watertoetsbesluit. Een verwijzing naar de algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II, algemene overwegingen volstaan daartoe niet.

  • Vonnis van Raad van State, 3 mei 2018

    De aangetekende zending met de memorie van antwoord werd voor ontvangst aangeboden op een ogenblik dat de gemeentelijke diensten gesloten waren. De verzoekende partij maakt op onderbouwde wijze aannemelijk dat bpost geen bericht van aanbieding heeft achtergelaten, zodat zij ook niet in kennis was van het feit dat die aangetekende zending in het afhaalpunt van bpost beschikbaar was. De voorwaarden om de sanctie van art. 21, tweede lid, van de RvS-wet toe te passen zijn derhalve niet vervuld.

  • Vonnis van Raad van State, 27 april 2018

    Blijkens art. 5, § 3, van het besluit van 4 september 2003 moeten de termen "gemeenschappelijke wasruimte" en "gemeenschappelijke toiletkamer" in dezelfde zin begrepen worden, zodat dit laatste begrip niet tot een kamer met enkel een gemeenschappelijke wc kan worden beperkt. In art. 1, 4°, van dat besluit wordt "wasruimte" gedefinieerd als "de ruimte in de woning die van de andere ruimten wordt gescheiden door wanden die van de vloer tot het plafond reiken en waarin de sanitaire uitrusting uit een wastafel bestaat en in hoofdzaak bedoeld is om zich aan te wassen". Een gemeenschappelijke wc volstaat derhalve niet om tot een collectieve woning te besluiten, geen bijval vinden. In het bestreden besluit wordt zodoende terecht gesteld dat er geen sprake is van een collectieve woning, en dat...

  • Vonnis van Raad van State, 27 april 2018

    De verplichting tot het plaatsen van rookmelders vloeit voort uit art. 2 van besluit van 15 april 2004. Het voormelde besluit vindt luidens zijn aanhef rechtsgrond in art. 4, § 2, van de Brusselse Huisvestingscode. Anders dan verzoekers dit zien, is dit gebrek sanctioneerbaar in toepassing van art. 7, § 3, van de Brusselse Huisvestingscode.

  • Vonnis van Raad van State, 26 april 2018

    De vernietiging door de RvS van een in beroep genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag, heeft tot gevolg dat de administratieve beroepsprocedure tegen de in eerste aanleg genomen beslissing moet worden hernomen. De administratieve beroepsinstantie is derhalve verplicht om na een vernietigingsarrest een nieuwe beslissing te nemen over het ingediende beroep. Het in art. 24, § 3, van het milieuvergunningsdecreet bedoelde niet schorsend karakter van dat administratief beroep, doet de in eerste aanleg genomen beslissing niet herleven na de vernietiging van de beroepsbeslissing. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Aanbevolen documenten

  • Vonnis van Raad van State, 6 oktober 2014

    De bestreden benoemingen zijn het eindpunt van een benoemingsprocedure opgestart in 2008. Eerdere benoemingen werden vernietigd. Verzoeker heeft zich kandidaat gesteld voor vier van de vijftien betrekkingen. Verzoeker heeft geen persoonlijk en rechtstreeks belang bij een vernietiging van de...

  • Vonnis van Raad van State, 17 april 2018

    Vastgesteld wordt dat de verzoekende partij zich bij de omschrijving van haar belang in haar verzoekschrift niet uitdrukkelijk op haar "beleidsvisie" om "voorrang" te geven aan een ander project beroept, maar wel op het feit dat de door haar in eerste bestuurlijke aanleg genomen ...

  • Vonnis van Raad van State, 17 april 2018

    De overheid die over een handelsvestigingsvergunningsaanvraag moet oordelen, dient de verenigbaarheid van het gevraagde met de verordenende planvoorschriften na te gaan. Verplicht is evenwel niet dat dit in een afzonderlijk onderdeel van de te nemen beslissing, los van de criteria van de...

  • Vonnis van Raad van State, 30 januari 2018

    Daar het gegrond bevonden middelonderdeel ontleend wordt aan een interne norm, is er geen noodzaak de door de verwerende partij gesuggereerde vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. ...

  • Vonnis van Raad van State, 26 april 2018

    Overeenkomstig art. 52, § 1, van het algemeen procedurereglement samengelezen met de artt. 26, 41, 43 en 49 van het cassatieprocedurereglement dient het verzoekschrift tot tussenkomst te worden ingediend uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de beschikking bedoeld in art....

  • Vonnis van Raad van State, 15 januari 2018

    In de ruim buiten de termijn toegezonden memorie van antwoord merkt de verwerende partij op dat zij de brief met de uitnodiging tot het indienen van een memorie "nooit ontvangen" heeft. Nu de antwoordkaart waarmee de zending aan het adres van de verwerende partij is aangeboden is...

  • Vonnis van Raad van State, 16 januari 2018

    Aangezien de verzoekende partij de beschermde woning heeft verkocht en daardoor haar aanvankelijke, op het eigendomsrecht gesteunde, rechtstreekse belang heeft verloren, is de vraag of zij zich vandaag dienstig kan beroepen op een ander belang. Daargelaten de vraag of het niet kunnen realiseren van ...

  • Vonnis van Raad van State, 13 maart 2018

    Verzoekers zijn eigenaar en bewoner van een huis in de onmiddellijke nabijheid van het bestreden wegtracé, dat de enige ontsluiting vormt van een verkavelingsproject met 50 loten of 73 wooneenheden. Gelet op de mogelijke mobiliteitsimpact op de woon- en leefomgeving van verzoekers, doen zij blijken ...

  • Vonnis van Raad van State, 27 april 2018

    De verplichting tot het plaatsen van rookmelders vloeit voort uit art. 2 van besluit van 15 april 2004. Het voormelde besluit vindt luidens zijn aanhef rechtsgrond in art. 4, § 2, van de Brusselse Huisvestingscode. Anders dan verzoekers dit zien, is dit gebrek sanctioneerbaar in toepassing van art. ...

  • Vonnis van Raad van State, 16 januari 2018

    Met de verzoekende partij moet worden aangenomen dat de op 13 juli 2017 aan de tussenkomende partij verleende socio-economische vergunning, waarvan eerstgenoemde partij stelt dat zij deze evenzeer met een beroep zal bestrijden, het bestreden besluit niet uit het rechtsverkeer doet verdwijnen....