• Raad van State

Nieuwste documenten

  • Vonnis van Raad van State, 4 maart 2020

    Verzoeker dient niet tijdig MvWA in. Ter terechtzitting verwijst de raadsman van verzoeker naar de neergelegde "memorie omtrent belang" waarin weliswaar wordt aangevoerd dat verzoeker belang heeft in de zin van artikel 19 RvS-wet, maar waarin wordt nagelaten aan te tonen waarom verzoeker de termijn voor het toesturen van de MvWA niet eerbiedigt. Het feit dat een verzoeker, naar hij stelt, doet blijken van een belang bij de nietigverklaring van de BB volstaat ter zake niet. Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt.

  • Vonnis van Raad van State, 26 februari 2020

    Art. 7 van het KB van 12 oktober 2010 schrijft voor dat wanneer de overheid de overeenstemming van de verwarmingstoestellen wil controleren, de fabrikant twee toestellen ter beschikking dient te stellen. De beproeving in het laboratorium gebeurt op het eerste toestel. Indien er daarna nood is aan een tegenexpertise gebeurt die op het tweede toestel. De vraag van de verzoekende partij om ook de tegenexpertise op het eerder geteste toestel uit te voeren kadert niet in de regeling van het KB. Dat het tweede toestel niet naar behoren leek te functioneren verandert daaraan niets, en de fabrikant moet zelf instaan voor de kwaliteit van elk toestel dat hij op de markt brengt.

  • Vonnis van Raad van State, 20 februari 2020

    De bestreden beslissing steunt op een naderhand ingetrokken gemeentelijk RUP. De intrekking heeft tot gevolg dat het bestreden besluit geacht moet worden zonder afdoende rechtsgrond tot stand te zijn gekomen. Het komt de RvS niet toe om, in de plaats van de vergunningverlenende overheid, te beoordelen of de aangevraagde inrichting al dan niet ingepast kan worden in de bestemmingsvoorschriften van het oorspronkelijke gemeentelijk RUP.

  • Vonnis van Raad van State, 18 februari 2020

    Het betrokken perceel van de verzoekende partij werd minnelijk onteigend, zodat zij er geen eigenaar meer van is. De verzoeker partij meent evenwel nog steeds belang te hebben bij "het doen vaststellen van de onwettigheid van het bestreden besluit teneinde haar in staat te stellen om een schadevergoeding te vorderen voor de door haar geleden schade ingevolge de onwettige bestreden beslissing". Een verzoekende partij die niet meer van een belang bij de nietigverklaring doet blijken, mag geen beoordeling van haar middelen verwachten louter met het oog op het faciliteren van de eventuele toekenning van een schadevergoeding door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen.

  • Vonnis van Raad van State, 14 februari 2020

    In het plan-MER wordt gesteld dat er over gewaakt dient te worden dat de bestaande landschappelijke kwaliteiten niet teniet worden gedaan. Hiermee is voldoende rekening gehouden omdat naast specifieke inrichtingsvoorschriften, er de algemene bepaling is volgens dewelke "werken, handelingen en wijzigingen" slechts mogelijk zijn "voor zover de ruimtelijke samenhang in het gebied, de cultuurhistorische waarden en erfgoedwaarden, horticulturele waarden, landschapswaarden en natuurwaarden in het gebied bewaard blijven en\/of versterkt worden".

  • Vonnis van Raad van State, 13 februari 2020

    Het betrokken soortenbeschermingsprogramma heeft betrekking op 51 havenspecifieke beschermde soorten en 39 'meeliftende' niet-havenspecifieke beschermde soorten en bevat maatregelen voor "ruimtes en locaties die gevrijwaard blijven van economische valorisatie of waarvan de economische valorisatie verzoenbaar is met de ecologische doelstelling ervan". De aangevoerde spoedeisendheid is gebaseerd op de uitvoering van een omgevingsvergunning voor één welbepaald project. Met die omgevingsvergunning worden geen afwijkingen op de verbodsbepalingen van het Soortenbesluit van 15 mei 2009 toegestaan. Er kan dan ook niet worden ingezien welk nuttig effect de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden verlenging van het soortenbeschermingsprogramma zou kunnen hebben. De omstandigheid dat het bijzondere beoordelingskader van afwijkingsaanvragen die ingediend worden op grond een lopend soortenbeschermingsprogramma desgevallend afwijkt van het beoordelingskader dat gehanteerd wordt bij aanvragen die rechtstreeks geënt zijn op de afwijkingsmogelijkheden die het Soortenbesluit van 15 mei 2009 biedt, doet daar geen enkele afbreuk aan.

  • Vonnis van Raad van State, 6 februari 2020

    Art. 86 van het gemeentewegendecreet dat bepaalt dat naast de rooilijnplannen. Het komt aan de bestuursrechter toe na te gaan of de procedure, voorzien in de artt. 27 en 28 van de buurtwegenwet, voor de in het verleden vergunde verbreding van deze buurtwegen, werd nageleefd.

  • Vonnis van Raad van State, 6 februari 2020

    De zienswijze van de beroepscommissie dat de gemeente de redelijkheidsgrens overschreden heeft én door een gebrek aan zorgvuldige afweging, én door een onredelijke straf te hebben opgelegd, wordt, gelet op de niet consistente en niet pertinente overwegingen, niet toereikend met draagkrachtige argumenten gestaafd. Die vaststelling impliceert in geen enkel opzicht dat het de beroepscommissie verboden zou zijn om op vraag van de tussenkomende partij de gegrondheid na te gaan van de schending, door de tuchtoverheid, van het redelijkheidsbeginsel, maar houdt alleen in dat zij bij het nemen van haar beslissing daarover de zorvuldigheidsplicht, en de formele- en materiëlemotiveringsplicht dient na te leven.

  • Vonnis van Raad van State, 6 februari 2020

    De finaliteit van een cassatieberoep bestaat er in om een onwettige uitspraak van een administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het anders samengesteld rechtscollege wordt voorgelegd zodat de verzoeker in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor hem gunstiger uitspraak van dat rechtscollege. Het cassatieberoep waarin een cassatiemiddel wordt aangevoerd dat geen van de zelfstandige vernietigingsmotieven van het bestreden arrest bekritiseert, kan, ook al was dat enige cassatiemiddel gegrond, niet tot cassatie leiden van het bestreden vernietigingsarrest.

  • Vonnis van Raad van State, 4 februari 2020

    Luidens art. 33, § 1, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985 wordt het bedrag van de hulp naar billijkheid bepaald. Binnen de door art. 33, § 2, van dezelfde wet gestelde grenzen, bepaalt de commissie op onaantastbare wijze de hoogte van de toe te kennen financiële hulp die zij in verhouding acht tot de door verzoeker geleden schade. Het middel dat ervan uitgaat dat het bedrag moet worden gemotiveerd, faalt derhalve naar recht.

Aanbevolen documenten

  • Vonnis van Raad van State, 14 oktober 2014

    De zaak is ingeleid voor de minderjarige zoon, namens wie de ouders optreden als wettelijke vertegenwoordigers. Een regelmatige vertegenwoordiging die rechtstreeks voortvloeit uit de regelgeving en waaromtrent geen bijzondere opmerkingen te maken zijn, wordt niet ten overvloede vermeld in het...

  • Vonnis van Raad van State, 1 februari 2016

    De verwerende partij ontzegt verzoekster belang bij het beroep, omdat verzoekster bij haar kandidaatstelling heeft aangeduid niet te solliciteren voor het ambt van godsdienstleerkracht en zij dus niet in de voorwaarden verkeert om aangesteld te worden. De Raad stelt echter vast dat verzoekster...

  • Vonnis van Raad van State, 14 oktober 2014

    Het belang dat is vereist opdat ontvankelijk een verzoekschrift kan worden ingediend bij de Raad van State, moet bestaan op het ogenblik waarop het annulatieberoep wordt ingesteld. Het volstaat niet erop te speculeren dat verzoeksters misschien in de latere toekomst leerling zullen zijn van het...

  • Vonnis van Raad van State, 2 maart 2017

    Het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in de artt. 10 en 11 van de GW en art. 5 van de wet van 15 juni 2006, gebiedt de aanbestedende overheden de aannemers, de leveranciers en de dienstverleners op gelijke wijze te behandelen. De verzoekende partij voert aan dat de offertes niet vergelijkbaar...

  • Vonnis van Raad van State, 4 juli 2017

    Een GRUP van 2009, dat de eerste uitbreiding van het bedrijfsterrein mogelijk maakt in de zone B en dat prima facie moet worden aanzien als een ander plan dan het bestreden GRUP, werd gekoppeld aan de ontwikkeling van een natuurherstelgebied in zone C. Het bestreden GRUP maakt de tweede uitbreiding ...

  • Vonnis van Raad van State, 28 februari 2017

    Het advies van de procureur des Konings werd niet gevraagd op grond van het "voorstel van tuchtstraf" zoals voorgeschreven door artikel 24 van de tuchtwet, maar op grond van het "voorstel van het inleidend verslag" dat was gevoegd bij de brief van de hogere overheid. Dat...

  • Vonnis van Raad van State, 19 juni 2014

    De vertrouwdheid van de verzoekende partij met het kanton en de mobiliteitsproblematiek die zij schetst, zijn objectieve factoren voor een kandidaat om de ene betrekking boven de andere te verkiezen. Wil de Raad van State nog met de tussenkomende partij aannemen dat de beschreven nadelen mogelijk...

  • Vonnis van Raad van State, 30 november 2015

    Er blijkt niet dat de wetgever, door het formuleren van een uitdrukkelijke wetsbepaling (art. 259bis-19, § 1, Gerechtelijk Wetboek) die een vertaling vormt van het onpartijdigheidsbeginsel voor andere dan de in die bepaling opgesomde situaties, de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel heeft...

  • Vonnis van Raad van State, 30 oktober 2014

    De bestreden benoeming werd ter kennis gebracht aan de verzoeker op 31 mei 2013. In die kennisgeving werd gesteld dat de benoeming zou worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 juni 2013 en dat beroepstermijn aan aanvang neemt vanaf die bekendmaking. Ofwel is die mededeling over de...