• Raad van State

Nieuwste documenten

  • Vonnis van Raad van State, 7 juni 2018

    Met een door verzoekster op 2 maart 2018 ontvangen brief is zij er overeenkomstig art. 46 van het KB van 25 december 2017 'tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State' door de griffie toe uitgenodigd om het voor haar beroep verschuldigde rolrecht te voldoen binnen dertig dagen na 1 maart 2018. Het rolrecht is ruim buiten de gestelde termijn betaald. Er is bijgevolg reden om het ingestelde beroep krachtens voormeld art. 46 juncto art. 71 van het algemeen procedurereglement van de rol te schrappen.

  • Vonnis van Raad van State, 1 juni 2018

    Het uitgangspunt van de verzoekende partij is dat het contra legem is een vergunning af te leveren "met retroactieve werking en zonder wachttermijn". Dit uitgangspunt stelt een juridisch vraagstuk aan de orde dat hiervoor niet aan bod is gekomen. Alleen al om die reden kan de verzoekende partij - in de huidige stand van de zaak - niet overtuigen van de noodzaak om de gevraagde voorlopige maatregel op te leggen.

  • Vonnis van Raad van State, 31 mei 2018

    Uit art. 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, a) VCRO volgt dat een vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van een aanvraag die in een RUP is gelegen, gebonden is door de voorschriften van het RUP tenzij daar op geldige wijze van wordt afgeweken. De deputatie is er dan ook toe gehouden om art. 1.2.1 van het gemeentelijk RUP toe te passen bij het beoordelen van een vergunningsaanvraag en aan de hand van de concrete kenmerken van het aangevraagde project te oordelen of de aanvraag voldoet aan dit stedenbouwkundig voorschrift. De RvVb kan zijn beoordeling van het al dan niet voldaan zijn aan dit stedenbouwkundig voorschrift niet in de plaats stellen van die van de bevoegde overheid. De verzoekende partij toont niet met concrete gegevens aan dat deze beoordeling kennelijk onjuist of onred...

  • Vonnis van Raad van State, 31 mei 2018

    Het middel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest aanneemt dat de deputatie in de eerste fase van haar onderzoek in het kader van art. 4.2.14 VCRO toegelaten wordt dat "bewijzen [\u0085] tegen elkaar 'afgewogen' [\u0085] mogen worden\

  • Vonnis van Raad van State, 24 mei 2018

    Door aan te nemen dat de in art. 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen die door de bestreden vergunningsbeslissing kunnen worden ondervonden, "een stedenbouwkundige inslag" moeten hebben, wordt de toegang tot de RvVb voor het betwisten van deze vergunningsbeslissing wegens strijdigheid met bepalingen van het in art. 9.3 van het Verdrag van Aarhus bedoelde "nationale recht betreffende het milieu\

  • Vonnis van Raad van State, 24 mei 2018

    Uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat art. 16 van het Rooilijnendecreet een bouwverbod bepaalt in gevallen die de realisatie van een rooilijn in de weg staat en dat de bestaande uitzondering dat een vergunning of machtiging toch kan worden verleend wanneer uit de adviezen van de bevoegde instanties blijkt dat de uitvoering van de rooilijn niet binnen vijf jaar na afgifte van de vergunning tot stand zal worden gebracht wordt behouden. Het middel dat ervan uitgaat dat de wegbeheerder in toepassing van de artt. 4.3.3 en 4.3.4, VCRO en art. 16 van het rooilijndecreet, in het door de vergunningverlenende overheid verplicht in te winnen advies moet bepalen dat de rooilijn al of niet binnen vijf jaar na de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning zal worden gerealiseerd, faalt naa...

  • Vonnis van Raad van State, 8 mei 2018

    Art. 4.4.23, eerste lid, VCRO, in zijn toepasselijke versie, bepaalt dat het vergunningverlenende bestuursorgaan bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige functiewijziging van een gebouwencomplex, mag afwijken van de bestemmingsvoorschriften voor zover voldaan is aan onder meer de voorwaarde dat het gebouwencomplex op het ogenblik van de aanvraag beantwoordt aan onder meer de vereiste dat het hoofdzakelijk vergund is. Het in het aangehaalde art. 4.4.23, eerste lid, bedoelde gebouwencomplex bestaat uit de vrijstaande woning in tweede bouwlijn en het landbouwcomplex, bestaande uit de oude hoevewoning, de broeierij en de landbouwloods. Door te beslissen dat het niet uitvoeren van de vergunningsvoorwaarde om het landbouwcomplex ni...

  • Vonnis van Raad van State, 8 mei 2018

    De verzoekende partij voert een enig middel aan dat teruggaat op de gegrondverklaring door de RvVb van het eerste middel van de verwerende partij. De GSA aan wie met het bestreden arrest het bevel is gegeven om een nieuwe beslissing te nemen over de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij, mag bij het nemen van een nieuwe beslissing het te dezen bekritiseerde vernietigingsmotief dan ook niet meer in vraag stellen en dient derhalve dit met gezag van gewijsde beklede vernietigingsmotief te eerbiedigen. De verzoekende partij kan, bij het aanvechten voor de RvVb van deze nieuwe beslissing van de GSA, dit in het bestreden arrest door de partijen betwiste en door de RvVb beslechte rechtspunt, evenmin als de RvVb zelf, ook niet meer in vraag stellen. Uit wat voorafgaat volgt dat het cass...

  • Vonnis van Raad van State, 8 mei 2018

    Het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 vindt rechtsgrond in art. 5.6.7, § 1, derde lid, VCRO dat de Vlaamse Regering machtigt om de bestemmingsgebieden aan te wijzen waarin geen zonevreemde milieuvergunning kan worden verleend. Een legistieke slordigheid bij de verwijzing naar de bepaling van de VCRO waaraan de Vlaamse Regering uitvoering geeft, brengt niet mee dat aan het betrokken reglementair besluit een strekking moet worden gegeven die niet ingepast kan worden in de rechtsgrondbiedende bepaling van het decreet. Bovendien is het in dit geval bij elke gemiddelde aandachtige lezer meteen duidelijk dat de verwijzing naar art. 5.6.7, § 2, eerste lid, VCRO in dit kader, volstrekt zinledig is. Bijgevolg wordt niet aangenomen dat het besluit van de Vlaamse Regering van 28 ap...

  • Vonnis van Raad van State, 8 mei 2018

    Ambtshalve wordt vastgesteld dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing waarbij enkel akte wordt genomen van de door haar ingediende melding van exploitatie van een klasse 3-inrichting.

Aanbevolen documenten

  • Vonnis van Raad van State, 17 april 2018

    Vastgesteld wordt dat de verzoekende partij zich bij de omschrijving van haar belang in haar verzoekschrift niet uitdrukkelijk op haar "beleidsvisie" om "voorrang" te geven aan een ander project beroept, maar wel op het feit dat de door haar in eerste bestuurlijke aanleg genomen ...

  • Vonnis van Raad van State, 17 april 2018

    De overheid die over een handelsvestigingsvergunningsaanvraag moet oordelen, dient de verenigbaarheid van het gevraagde met de verordenende planvoorschriften na te gaan. Verplicht is evenwel niet dat dit in een afzonderlijk onderdeel van de te nemen beslissing, los van de criteria van de...

  • Vonnis van Raad van State, 2 maart 2017

    Het BB (genomen overeenkomstig de artt. 11 en 65 ruilverkavelingswet) dat oordeelt dat een ruilverkaveling nuttig is, dat het kavelplan wordt vastgesteld en dat zal worden overgegaan tot de ruilverkaveling van de aangeduide goederen kan niet worden beschouwd als de toepassing in een concreet geval...

  • Vonnis van Raad van State, 6 oktober 2014

    De bestreden benoemingen zijn het eindpunt van een benoemingsprocedure opgestart in 2008. Eerdere benoemingen werden vernietigd. Verzoeker heeft zich kandidaat gesteld voor vier van de vijftien betrekkingen. Verzoeker heeft geen persoonlijk en rechtstreeks belang bij een vernietiging van de...

  • Vonnis van Raad van State, 30 januari 2018

    Daar het gegrond bevonden middelonderdeel ontleend wordt aan een interne norm, is er geen noodzaak de door de verwerende partij gesuggereerde vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. ...

  • Vonnis van Raad van State, 13 november 2012

    Het gehanteerde onderscheidingscritrium in het thans bestreden artikel 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen, waarbij de opgewekte groene stroom rechtstreeks in een in België gelegen...

  • Vonnis van Raad van State, 16 januari 2018

    Met de verzoekende partij moet worden aangenomen dat de op 13 juli 2017 aan de tussenkomende partij verleende socio-economische vergunning, waarvan eerstgenoemde partij stelt dat zij deze evenzeer met een beroep zal bestrijden, het bestreden besluit niet uit het rechtsverkeer doet verdwijnen....

  • Vonnis van Raad van State, 19 juni 2017

    Het bijzonder bestek legt als technische bekwaamheid op dat een inschrijver beschikt over een "VCA-certificaat of gelijkwaardig ten bewijze dat de firma voldoet aan de minimumeisen op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu of een gelijkwaardig document voor buitenlandse inschrijvers&qu...

  • Vonnis van Raad van State, 24 januari 2018

    De verzoekende partij betwist niet dat een stedenbouwkundig stakingsbevel verhindert dat de inrichting daadwerkelijk kan worden geëxploiteerd. Een stakingsbevel, opgelegd wegens het zonder stedenbouwkundige vergunning wijzigen van de hoofdfunctie van een gebouw, moet in beginsel aan de overtreder...

  • Vonnis van Raad van State, 23 maart 2018

    Om zijn wijk te verlaten moet verzoeker door de bestreden beslissing een betekenisvolle omweg maken. Dit verantwoordt een voldoende belang bij het voorliggende beroep. De exceptie wordt verworpen. ...