• Raad van State

Nieuwste documenten

  • Vonnis van Raad van State, 4 februari 2020

    Luidens art. 33, § 1, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985 wordt het bedrag van de hulp naar billijkheid bepaald. Binnen de door art. 33, § 2, van dezelfde wet gestelde grenzen, bepaalt de commissie op onaantastbare wijze de hoogte van de toe te kennen financiële hulp die zij in verhouding acht tot de door verzoeker geleden schade. Het middel dat ervan uitgaat dat het bedrag moet worden gemotiveerd, faalt derhalve naar recht.

  • Vonnis van Raad van State, 30 januari 2020

    Bij besluit van 26 oktober 2017 wordt een eerdere vergunningsbeslissing ingetrokken en een nieuwe vergunning afgeleverd. Door de intrekking van de binnen de termijn in art. 4.7.23, § 2, VCRO genomen vergunningsbeslissing wordt de deputatie fictief teruggeplaatst in de situatie van vóór de ingetrokken vergunningsbeslissing. Het bestreden arrest besluit dat de beslissing van 26 oktober 2017 voor zover met de beslissing een nieuwe stedenbouwkundige vergunning wordt verleend, aangetast is door een bevoegdheidsoverschrijding, want genomen na de vervaltermijn van art. 4.7.23, §2, VCRO. Door aldus te beslissen is het bestreden arrest tegenstrijdig gemotiveerd en schendt het arrest artikel 149 van de Grondwet.

  • Vonnis van Raad van State, 28 januari 2020

    De affiche ter bekendmaking van de toekenning van de bestreden vergunning was minstens reeds op 3 juli 2016 aan de toegangspoort van het pand aangeplakt. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg oordeelde reeds dat de affiche voldoende goed zichtbaar was vanop het voetpad, en leesbaar voor de geïnteresseerden. De RvS ziet dit niet anders. Verder hadden andere buren wel kennis van de aanplakking en verplicht de rijrichting van de straat verzoeker om voorbij haar woning te rijden. Bovendien blijkt verzoeker op de hoogte te zijn van het op handen zijnde project en volgde bij een en ander actief op. Deze gegevens doen aannemen dat verzoeker reeds meer dan 60 dagen vóór het instellen van het beroep van de afgifte van de bestreden vergunning kennis had of minstens kon hebben.

  • Vonnis van Raad van State, 28 januari 2020

    De toelichting bij een stedenbouwkundig voorschrift is niet verordenend van aard. Zij vermag niet af te doen aan de duidelijke bepalingen van de verordenende stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP. Door de gevraagde vergunning voor een schoenen- en kledingwinkel op grond van de toelichting te weigeren, gaat de verwerende partij in tegen de duidelijk bepalingen van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP en schendt zij het materiëlemotiveringsbeginsel. Dat in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 wordt bepaald dat in de toelichting richtlijnen kunnen opgenomen worden over de voorwaarden die zouden kunnen opgenomen worden "in stedenbouwkundige vergunningen" - niet: "stedenbouwkundige voorschriften\

  • Vonnis van Raad van State, 23 januari 2020

    Op grond van art. 19, eerste lid, van het Soortenbesluit kan het ANB "op basis van een aanvraag" specifieke handelingen toestaan die afwijken van de verbodsbepalingen van de artt. 10 tot 18 van het Soortenbesluit. Dergelijke afwijkingen kunnen enkel verleend worden om de redenen en onder de voorwaarden die opgesomd worden in de artt. 20 en 21 van hetzelfde besluit. In de aanvraag is nergens sprake van een afwijking van de beschermingsvoorschriften van het Soortenbesluit. Bijgevolg wordt vastgesteld dat de verwerende partij niet "op basis van een aanvraag\

  • Vonnis van Raad van State, 23 januari 2020

    Het standpunt dat de natuurwaarden van het gering overblijvende gedeelte van de waterplas, na ecologische herinrichting, zullen verhogen, wordt op geen enkele manier concreet aannemelijk gemaakt en dit standpunt, zelfs in acht genomen dat de appreciatiebevoegdheid van de verwerende partij ruim moet worden opgevat, is volstrekt ongeloofwaardig, en bijgevolg onredelijk.

  • Vonnis van Raad van State, 21 januari 2020

    De eerste bestreden beslissing van de stad tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring van verzoekers woning is niet in graad van laatste administratieve aanleg genomen. Er stond nog een georganiseerd administratief beroep tegen open. Dat beroep is overigens ook effectief ingesteld geworden, waardoor de eerste bestreden beslissing vervangen is geworden door de tweede bestreden beslissing waarbij verzoekers woning opgenomen blijft in de Vlaamse inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen.

  • Vonnis van Raad van State, 21 januari 2020

    Bij gebrek aan een omschrijving in het inrichtingsbesluit, moet het begrip "para-agrarische bedrijven" in zijn spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen, te weten bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is, wat op zichzelf niet vereist dat het om een grondgebonden activiteit gaat. Hoewel het commercieel karakter van een bedrijvigheid op zichzelf niet verhindert dat een bedrijf toch als para-agrarisch kan worden aanzien, kan de rechtstreekse doorverkoop van ingekochte producten die in het bedrijf geen enkele verwerking ondergaan, niet begrepen worden als een activiteit die onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is. De verkoop van (tuin)decoratie en potterie is derhalve niet met het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied verenigbaar is. Bovendien moet het gedeelte van het bedrijf waar deze activiteit plaatsvindt moet worden beschouwd als een voor een normale bedrijfsvoering "noodzakelijke" constructie, zoals bedoeld in art. 4.1.1, 7°, a), VCRO. Bijgevolg kon het bedrijf van de tussenkomende partij niet als hoofdzakelijk vergund in de zin van art. 4.1.1, 7°, VCRO, worden beschouwd, waardoor het planologisch attest onwettig is want strijdig met art. 4.4.24, eerste lid, VCRO en met art. 4, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2013. Aangezien het planologisch attest onwettig is, is het bestreden besluit dat voor zijn planologische toets op dit planologisch attest steunt, evenzeer onwettig.

  • Vonnis van Raad van State, 17 januari 2020

    Een tuchtvordering is in beginsel als ingesteld te beschouwen van zodra de tuchtoverheid een personeelslid voldoende te kennen geeft dat hij of zij zich voor bepaalde feiten moet verantwoorden met het oog op het al dan niet opleggen van een tuchtstraf. Dat, overeenkomstig art. 130, § 1, van het gemeentedecreet, de tuchtvordering geacht moet worden te zijn ingesteld van zodra de tuchtoverheid beslist om een tuchtonderzoek te starten, waarvan zij het personeelslid onmiddellijk dient in te lichten, sluit niet uit dat ook nog uit andere gegevens kan worden besloten dat de tuchtvordering werd ingesteld. Te dezen gaf de tuchtoverheid alleszins in juni-juli 2015 onmiskenbaar aan dat zij verzoeker ter verantwoording riep voor de feiten waarvoor zij hem later, op 13 oktober 2015, ook effectief tuchtrechtelijk veroordeeld heeft. Bijgevolg werd de tuchtvordering ingesteld binnen zes maanden nadat de verjaring begon te lopen, tijdstip dat verzoeker zelf bepaalt op uiterlijk 10 maart 2015.

  • Vonnis van Raad van State, 17 januari 2020

    Op grond van art. 81 van haar rechtspositieregeling kwam het de verwerende partij toe om de relevantie van de aldus bewezen beroepservaring te beoordelen door de aangevoerde diensten te toetsen aan de voorwaarden en het functieprofiel voor verzoeksters nieuwe functie. Dat de verwerende partij bij die beoordeling over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt, is één zaak. Een andere is dat die discretionaire beoordelingsbevoegdheid ook effectief en in concreto moet worden uitgeoefend, en dat zulks in de regel afdoende tot uiting behoort te worden gebracht in de formele motivering van de genomen beslissing. Dit is te dezen niet het geval.

Aanbevolen documenten

  • Vonnis van Raad van State, 14 oktober 2014

    De zaak is ingeleid voor de minderjarige zoon, namens wie de ouders optreden als wettelijke vertegenwoordigers. Een regelmatige vertegenwoordiging die rechtstreeks voortvloeit uit de regelgeving en waaromtrent geen bijzondere opmerkingen te maken zijn, wordt niet ten overvloede vermeld in het...

  • Vonnis van Raad van State, 1 februari 2016

    De verwerende partij ontzegt verzoekster belang bij het beroep, omdat verzoekster bij haar kandidaatstelling heeft aangeduid niet te solliciteren voor het ambt van godsdienstleerkracht en zij dus niet in de voorwaarden verkeert om aangesteld te worden. De Raad stelt echter vast dat verzoekster...

  • Vonnis van Raad van State, 14 oktober 2014

    Het belang dat is vereist opdat ontvankelijk een verzoekschrift kan worden ingediend bij de Raad van State, moet bestaan op het ogenblik waarop het annulatieberoep wordt ingesteld. Het volstaat niet erop te speculeren dat verzoeksters misschien in de latere toekomst leerling zullen zijn van het...

  • Vonnis van Raad van State, 2 maart 2017

    Het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in de artt. 10 en 11 van de GW en art. 5 van de wet van 15 juni 2006, gebiedt de aanbestedende overheden de aannemers, de leveranciers en de dienstverleners op gelijke wijze te behandelen. De verzoekende partij voert aan dat de offertes niet vergelijkbaar...

  • Vonnis van Raad van State, 4 juli 2017

    Een GRUP van 2009, dat de eerste uitbreiding van het bedrijfsterrein mogelijk maakt in de zone B en dat prima facie moet worden aanzien als een ander plan dan het bestreden GRUP, werd gekoppeld aan de ontwikkeling van een natuurherstelgebied in zone C. Het bestreden GRUP maakt de tweede uitbreiding ...

  • Vonnis van Raad van State, 28 februari 2017

    Het advies van de procureur des Konings werd niet gevraagd op grond van het "voorstel van tuchtstraf" zoals voorgeschreven door artikel 24 van de tuchtwet, maar op grond van het "voorstel van het inleidend verslag" dat was gevoegd bij de brief van de hogere overheid. Dat...

  • Vonnis van Raad van State, 19 juni 2014

    De vertrouwdheid van de verzoekende partij met het kanton en de mobiliteitsproblematiek die zij schetst, zijn objectieve factoren voor een kandidaat om de ene betrekking boven de andere te verkiezen. Wil de Raad van State nog met de tussenkomende partij aannemen dat de beschreven nadelen mogelijk...

  • Vonnis van Raad van State, 30 november 2015

    Er blijkt niet dat de wetgever, door het formuleren van een uitdrukkelijke wetsbepaling (art. 259bis-19, § 1, Gerechtelijk Wetboek) die een vertaling vormt van het onpartijdigheidsbeginsel voor andere dan de in die bepaling opgesomde situaties, de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel heeft...

  • Vonnis van Raad van State, 30 oktober 2014

    De bestreden benoeming werd ter kennis gebracht aan de verzoeker op 31 mei 2013. In die kennisgeving werd gesteld dat de benoeming zou worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 juni 2013 en dat beroepstermijn aan aanvang neemt vanaf die bekendmaking. Ofwel is die mededeling over de...