• Raad van State

Nieuwste documenten

  • Vonnis van Raad van State, 2 augustus 2019

    Als wettigheidsrechter is de RvS op grond van art. 14, § 1, van de RvS-wet enkel bevoegd om, binnen de grenzen van het hem ontvankelijk voorgelegde geschil, een onwettig gebleken administratieve rechtshandeling nietig te verklaren. Hij is dan geen rechter die in hoger beroep kennis neemt van de betwisting die een verzoekende partij heeft met het bestuur en die een eigen beslissing in de plaats vermag te stellen. De RvS is als wettigheidsrechter ten aanzien van administratieve rechtshandelingen niet bevoegd om verzoeker de gevraagde "machtiging" (om de identiteitskaart te verlengen en ook zijn paspoort opdat hij zo snel als mogelijk naar België kan afreizen om zich bij zijn familie te voegen en zijn vrijheidsbeperkende maatregelen te doen opheffen) te verlenen.

  • Vonnis van Raad van State, 22 juli 2019

    Verzoekers vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen is verworpen. Verzoeker heeft na de kennisgeving van dit arrest geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. In zijn verzoek om te worden gehoord en ter terechtzitting voert verzoeker aan dat hij op onoverwinnelijke wijze heeft gedwaald bij het niet verzoeken om de voortzetting van de procedure. In casu zijn geen omstandigheden aanwezig die verzoeker buiten zijn wil hebben verhinderd om tijdig een verzoek tot voortzetting in te dienen. Verzoeker erkent zelf te hebben beslist om de procedure niet voort te zetten. Dat de raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren, in afwachting van de uitspraak in de voorliggende zaak, geen advies in de tuchtzaak tegen verzoeker heeft uitgebracht, maakt geen onoverwinnelijke dwaling uit. Verzoeker wist immers ruim voor het verstrijken van de termijn voor het indienen van een verzoek tot voorzetting van de rechtspleging dat een tuchtprocedure tegen hem was gestart, die gesteund was op de feiten die ook in het voorliggende beroep aan bod komen. Bovendien blijkt de zitting van de raad van beroep te hebben plaatsgevonden nadat de termijn voor het indienen van een verzoek tot voortzetting reeds was verstreken, zodat verzoeker de raad van beroep daar zelf op had kunnen wijzen.

  • Vonnis van Raad van State, 9 juli 2019

    Gelet op art. 50 van het Vlaams Onteigeningsdecreet, is de vrederechter bevoegd om uitspraak te doen over de wettigheid van de onteigening, en bijgevolg om de voor de onteigening vereiste besluiten van de onteigenende overheid op zowel hun interne als op hun externe wettigheid te toetsen. Die bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de RvS uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van deze handelingen. Ten onrechte meent verzoeker dat dit niet (langer) het geval is doordat art. 43 van het Vlaams Onteigeningsdecreet bepaalt dat het definitief onteigeningsbesluit kan bestreden worden bij de RvVb, zonder dat die bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van de opstart van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Wat er van de beweerde parallelle rechtsmacht tussen de vrederechter en de RvVb ook zij, het voorliggende beroep is niet ingesteld op basis van art. 43 van het Vlaams Onteigeningsdecreet, maar op basis van de algemene bevoegdheid van de RvS op grond van art. 14 van de RvS-wet. Deze algemene bevoegdheid is residuair en uitgesloten wanneer tegen een bepaalde bestuurshandeling een andere jurisdictionele beroepsmogelijkheid openstaat. Nu verzoeker door de verwerende partij voor de vrederechter is gedagvaard en bijgevolg de wettigheid van het ministeriële onteigeningsbesluit voor de vrederechter kan betwisten, verliest de RvS te dezen zijn rechtsmacht.

  • Vonnis van Raad van State, 8 juli 2019

    Art. 35, derde lid, DBRC-decreet relativeert de vernietigingsbevoegdheid van de RvVb in die zin dat een onwettigheid slechts aanleiding geeft tot een vernietiging, indien de partij die ze aanvoert wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid. Het GwH heeft aangenomen dat deze bepaling niet de draagwijdte heeft dat verzoekende partijen zich niet langer op een onwettigheid zouden kunnen beroepen wanneer zij niet kunnen aantonen dat de aangevoerde onwettigheid een invloed kan hebben op de inhoud van de genomen beslissing, noch als gevolg heeft dat een verzoekende partij zelf moet bewijzen dat de aangevoerde onregelmatigheid een invloed kan hebben op de inhoud van de genomen beslissing" (GwH 5 juli 2018, nr. 87\/2018, B.29.3).

  • Vonnis van Raad van State, 2 juli 2019

    Artikel 4 van de wet van 19 februari 1965 'betreffende de zelfstandige beroepsactiviteit der vreemdelingen' bepaalt enkel dat de beroepskaart slechts mag worden afgegeven aan de vreemdeling die een vergunning heeft gekregen om in België te verblijven of er zich te vestigen. Vermits de wet geen nadere criteria bevat, beschikt de overheid over een ruime discretionaire bevoegdheid. Wat de wijze betreft waarop de overheid haar discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend, komt het de RvS niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die door de bevoegde administratieve overheid. Hij is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de BB is kunnen komen. De verzoekster toont in casu niet aan dat de verwerende partij haar discretionaire bevoegdheid op onwettige wijze heeft uitgeoefend.

  • Vonnis van Raad van State, 27 juni 2019

    Het Vlaams Onteigeningsdecreet is in werking getreden op 1 januari 2018 en titel 3 'Bestuurlijke fase' van het decreet is niet van toepassing op lopende administratieve procedures. De dagvaarding van verzoekers situeert zich evenwel in de gerechtelijke fase (titel 4). Deze titel is enkel niet van toepassing op lopende gerechtelijke procedures. Bij gebrek aan lopende gerechtelijke procedures heeft de gerechtsdeurwaarder terecht toepassing gemaakt van het Vlaams Onteigeningsdecreet. Gelet op art. 50 van dit decreet, is de vrederechter bevoegd om uitspraak te doen over de wettigheid van de onteigening, en bijgevolg om de onteigeningsbesluiten op zowel hun interne als op hun externe wettigheid te toetsen. Die bevoegdheid sluit de bevoegdheid van de RvS uit. Nu verzoekers voor de vrederechter zijn gedagvaard, verliest de RvS te dezen zijn rechtsmacht.

  • Vonnis van Raad van State, 27 juni 2019

    Uit de BB, of minstens uit de stukken van het dossier, moet blijken dat de vergunningverlenende overheid de haar door artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet opgelegde zorgplicht is nagekomen. Uit de motivering in de BB inzake de "natuurtoets" kan worden afgeleid dat uit een -niet voorgelegde- aanvullende nota zou blijken dat "er momenteel geen ander alternatief te realiseren is\

  • Vonnis van Raad van State, 26 juni 2019

    Het recht van verdediging houdt in dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon het recht heeft om vrij zijn verdediging te organiseren zoals hij dat verkiest. Hij beschikt aldus in het bijzonder over het recht te zwijgen en stil te zitten in de eigen zaak. Behoudens overschrijding van de grenzen van het recht van verdediging, mag de enkele omstandigheid dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon stilzit in zijn eigen zaak en zich onthoudt op grond van redenen die hem eigen zijn, om reeds in de loop van de tuchtprocedure procedurele bezwaren aan te voeren, hem niet worden toegerekend. Dat verzoeker te dezen niet heeft gewezen op mogelijke onwettigheden of onregelmatigheden bij de toepassing van art. 56 van de tuchtwet, of op het ogenblik dat hij in kennis werd gesteld van de toepassing ervan geen bezwaar heeft gemaakt, ontzegt hem derhalve niet het recht die grief in een latere procedure aan de RvS voor te leggen. Voorts doet de verwerende partij niet blijken dat verzoekers handelen te dezen de grenzen van het fundamenteel recht op het vrij organiseren van zijn wijze van verdediging overschrijdt.

  • Vonnis van Raad van State, 26 juni 2019

    Het belang van de rechtsopvolger van de initiële verzoekende partij moet kunnen worden ingepast in het belang dat aan de basis lag van de rechtsvordering die werd ingesteld door die initiële verzoekende partij. Het belang, gestoeld op de hoedanigheid van eigenaar, is inpasbaar in het door de initiële verzoekers aangevoerde belang (als pachters) in zoverre het berust op de negatieve impact van de bestemmingswijzigingen ingevolge het bestreden GRUP en de vrees dat de kwestieuze gronden aan hen zullen "onttrokken" worden. Ook het belang, gestoeld op de hoedanigheid van gebruiker van de gronden, is inpasbaar in het evenzeer op dit gebruik gestoelde belang van de initiële verzoekende partijen.

  • Vonnis van Raad van State, 26 juni 2019

    De verzoekende partijen hebben zich op de parkeerproblematiek ingevolge het bestreden gemeentelijk RUP beroepen. De verwerende partij heeft in de screeningsnota bij dit RUP de parkeerproblematiek als pijnpunt erkend. In redelijkheid moet aangenomen worden dat de verzoekende partijen als bewoners\/eigenaars van panden gelegen in de onmiddellijke omgeving van het plangebied van die parkeerproblematiek een nadeel kunnen ondervinden en dat zij derhalve een voordeel bij de nietigverklaring van het bestreden gemeentelijk RUP hebben.

Aanbevolen documenten

  • Vonnis van Raad van State, 12 augustus 2016

    Verzoeker heeft het verweer dat hij voor de raad voor maatschappelijk welzijn als tuchtoverheid heeft gevoerd, voor de beroepscommissie wezenlijk en doorgaans zelfs woordelijk herhaald, zonder in te gaan op de uitvoerige motivering van het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn ter...

  • Vonnis van Raad van State, 9 maart 2015

    De RvS is bevoegd om in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een eenzijdige administratieve rechtshandeling kennis te nemen van een middel waarin wordt aangevoerd dat die handeling werd gesteld in strijd met art. 32tredecies van de wet van de wet van 4 augustus 1996 of een overtreding...

  • Vonnis van Raad van State, 27 juni 2014

    Alhoewel de offerte van de eerste en tweede tussenkomende partij slechts als tweede werd gerangschikt hebben zij er belang bij dat de vordering wordt afgewezen nu de verzoekende partij ook de schorsing van de tenuitvoerlegging bij UDN vordert van de beslissing van de PMV om hun offerte regelmatig...

  • Vonnis van Raad van State, 2 maart 2017

    Het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in de artt. 10 en 11 van de GW en art. 5 van de wet van 15 juni 2006, gebiedt de aanbestedende overheden de aannemers, de leveranciers en de dienstverleners op gelijke wijze te behandelen. De verzoekende partij voert aan dat de offertes niet vergelijkbaar...

  • Vonnis van Raad van State, 21 november 2013

    De thans bestreden beslissing is gebaseerd op een proces-verbaal inzake opzettelijke slagen en verwondingen ten laste van de verzoekende partij hetwelk op zijn beurt steunt op videobeelden gemaakt door een anonieme omstaander. Zelfs indien aangenomen zou worden dat dit beeldmateriaal afkomstig is...

  • Vonnis van Raad van State, 9 februari 2017

    Volgens het koninklijk besluit van 13 november 1991 vindt voorafgaand aan de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden een functioneringsgesprek plaats vindt en worden de sterke en de zwakke punten van de kandidaat toegelicht. Uit dat beoordelingsformulier blijkt dat als zwak punt, onder de...

  • Vonnis van Raad van State, 28 februari 2017

    Het advies van de procureur des Konings werd niet gevraagd op grond van het "voorstel van tuchtstraf" zoals voorgeschreven door artikel 24 van de tuchtwet, maar op grond van het "voorstel van het inleidend verslag" dat was gevoegd bij de brief van de hogere overheid. Dat...

  • Vonnis van Raad van State, 16 mei 2014

    De omstandigheid dat inmiddels een verkavelingsvergunning en enkele stedenbouwkundige vergunningen voor bepaalde projecten in het binnengebied werden verleend, maakt niet dat de verzoekende partijen hun belang bij de vordering zouden verliezen, aangezien daardoor slechts een deel van het...

  • Vonnis van Raad van State, 30 oktober 2014

    De bestreden benoeming werd ter kennis gebracht aan de verzoeker op 31 mei 2013. In die kennisgeving werd gesteld dat de benoeming zou worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 juni 2013 en dat beroepstermijn aan aanvang neemt vanaf die bekendmaking. Ofwel is die mededeling over de...

  • Vonnis van Raad van State, 13 juni 2013

    De vervalregeling uit artikel 5, §2, van het Milieuvergunningsdecreet veronderstelt dat de milieuvergunning werd verleend op een ogenblik dat nog geen beslissing was genomen over de aanvraag tot het verkrijgen van de voor het project vereiste stedenbouwkundige vergunning. Een milieuvergunning kan...