• Raad van State

Nieuwste documenten

  • Vonnis van Raad van State, 21 juni 2019

    De verzoekende partij toont niet aan dat de plannende overheid er ten onrechte is van uitgegaan dat haar perceel, dat voor het grootste deel in een KMO-zone gelegen is en overeenkomstig die bestemming wordt gebruikt, niet voldoet aan de criteria om in het kernwoongebied te worden opgenomen. Gezien de beleidsoptie om het kernwoongebied op perceelsniveau af te bakenen, kan verzoeksters betoog dat er geen verantwoording zou bestaan om haar perceeldeel met de gewestplanbestemming woongebied niet in het plangebied op te nemen, evenmin bijval vinden.

  • Vonnis van Raad van State, 20 juni 2019

    Luidens art. 4.7.19, § 2, eerste lid, VCRO wordt een mededeling "die te kennen geeft dat de vergunning is verleend" door de aanvrager gedurende een periode van dertig dagen aangeplakt "op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft". Volgens deze decretale bepaling volstaat de aanplakking van de mededeling van het feit dat een vergunning is verleend niet, maar moet de aangeplakte mededeling betrekking hebben op de verleende vergunning zelf.

  • Vonnis van Raad van State, 13 juni 2019

    Door de betrokken deputatie van de provincieraad is een definitieve milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar verleend die een aanvang neemt vanaf de eerste beslissingsdatum van de verlengde proefvergunning. Gelet op deze aanvangstermijn wordt vastgesteld dat de twee opeenvolgende proefvergunningen zijn opgegaan in de definitieve milieuvergunning, zodat het belang bij het bestrijden van de proefvergunningen is verloren gegaan. Met de nietigverklaring van de definitieve milieuvergunning moeten de voorgaande proefvergunningen worden geacht mee te zijn vernietigd.

  • Vonnis van Raad van State, 13 juni 2019

    De exploitatie van de gevraagde windturbines, waarvan de dichtste op 2.250 meter van verzoekers woning is voorzien, kan een merkbaar gevolg hebben in zijn directe woonomgeving waardoor hij doet blijken van een afdoende belang. Verzoeker legt fotomateriaal voor waaruit blijkt dat de drie windturbines (met een maximale hoogte van 150 meter) op dergelijke afstand van zijn woning, die aan de achterzijde volledig in glas is afgewerkt en uitkijkt op de projectlocatie, in een open en vlak landschap zeker te zien zullen zijn. Verzoeker maakt daarbij aannemelijk dat de E40\/HST-lijn niet van die aard is het landschap te doorbreken, en de bomenrij in de tuin zijn zicht niet belemmert.De omstandigheid dat visuele hinder in de eerste plaats een gevolg is van de stedenbouwkundige vergunning, kan verzoekers belang bij de nietigverklaring van de milieuvergunning niet ontnemen. Een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag dient immers niet alleen op haar milieuhygiënische, doch ook op haar stedenbouwkundige verenigbaarheid te worden beoordeeld. Dit houdt onder meer in dat de overheid de vergunning dient te weigeren als de inrichting niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, wat verzoeker in een van zijn middelen aanvoert.

  • Vonnis van Raad van State, 11 juni 2019

    Het loutere feit dat de tussenkomende partij ten aanzien van de voorzitter leugenachtige verklaringen heeft afgelegd, kan door de verzoekende partij als een tuchtfeit in aanmerking worden genomen en tuchtrechtelijk worden gesanctioneerd. De omstandigheid dat de kwalificatie van die verklaringen als leugenachtig een toetsing van die verklaringen vergt aan feiten die op zich verjaard zijn, doet daaraan geen afbreuk en impliceert als zodanig niet dat ook de leugenachtige verklaringen verjaard zouden zijn.

  • Vonnis van Raad van State, 11 juni 2019

    De in art. 10 van de wet van 12 april 1965 bedoelde erfdienstbaarheid kan slechts opgelegd worden ten behoeve van het algemeen belang. Het komt aan de Koning toe om vast te stellen of de plaatsing van de bedoelde gasvervoerinstallaties van algemeen belang is en de beslissing tot plaatsing te motiveren, in voorkomend geval in antwoord op de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren.

  • Vonnis van Raad van State, 5 juni 2019

    De minister heeft, wat betreft de vereiste minimumlengte om toegelaten te worden tot het ambt van (aspirant-) inspecteur van politie in het basiskader, de grens vastgelegd op 152 cm. De stelling van verzoekster dat de minister daarbij tevens een differentie zou moeten maken naargelang de specifieke functie men beoogt uit te oefenen, vindt geen steun in de wet en de uitvoeringsbesluiten. De verzoekster kan, nadat zij toegelaten is tot de basisopleiding en deze met goed gevolg beëindigd heeft, geen recht laten gelden op het uitoefenen van een specifieke functie (zoals onthaal, wijkwerking en slachtofferbejegening). Men wordt immers niet aangesteld\/benoemd in een specifieke functie, maar in een ambt (in casu in het ambt van (aspirant-)inspecteur van politie.

  • Vonnis van Raad van State, 23 mei 2019

    Onder de personen die beroep kunnen instellen bij de RvVb wordt een onderscheid gemaakt tussen personen van wie de vereiste hoedanigheid volstaat (art. 4.8.11, § 1, eerste lid, 1°, 2°, 5°, 6° en 7°) en personen die behalve de vereiste hoedanigheid ook een specifiek belang moeten aantonen (art. 4.8.11, § 1, eerste lid, 3° en 4°). Het middel dat uitgaat van de rechtsopvatting dat de in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 2°, VCRO personen een belang moeten aantonen bij het instellen van een beroep bij de RvVb, faalt naar recht.

  • Vonnis van Raad van State, 21 mei 2019

    Met hun beroep beogen de verzoekende partijen de nietigverklaring van de beslissing waarmee de gemeenteraad een dading tussen de stad en de tussenkomende partij goedkeurt. Als zodanig gaat het om een beroep tegen een beslissing die ideëel afsplitsbaar is van de dading, en voor de beoordeling waarvan de RvS bevoegd is.

  • Vonnis van Raad van State, 21 mei 2019

    De artt. 2 en 3 van de formelemotiveringswet bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Hieraan is voldaan, wanneer de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de goede plaatselijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het voor de aanvrager of belanghebbende derden mogelijk is met kennis van zaken tegen de bestreden beslissing op te komen.

Aanbevolen documenten

  • Vonnis van Raad van State, 12 augustus 2016

    Verzoeker heeft het verweer dat hij voor de raad voor maatschappelijk welzijn als tuchtoverheid heeft gevoerd, voor de beroepscommissie wezenlijk en doorgaans zelfs woordelijk herhaald, zonder in te gaan op de uitvoerige motivering van het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn ter...

  • Vonnis van Raad van State, 9 maart 2015

    De RvS is bevoegd om in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een eenzijdige administratieve rechtshandeling kennis te nemen van een middel waarin wordt aangevoerd dat die handeling werd gesteld in strijd met art. 32tredecies van de wet van de wet van 4 augustus 1996 of een overtreding...

  • Vonnis van Raad van State, 27 juni 2014

    Alhoewel de offerte van de eerste en tweede tussenkomende partij slechts als tweede werd gerangschikt hebben zij er belang bij dat de vordering wordt afgewezen nu de verzoekende partij ook de schorsing van de tenuitvoerlegging bij UDN vordert van de beslissing van de PMV om hun offerte regelmatig...

  • Vonnis van Raad van State, 2 maart 2017

    Het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in de artt. 10 en 11 van de GW en art. 5 van de wet van 15 juni 2006, gebiedt de aanbestedende overheden de aannemers, de leveranciers en de dienstverleners op gelijke wijze te behandelen. De verzoekende partij voert aan dat de offertes niet vergelijkbaar...

  • Vonnis van Raad van State, 21 november 2013

    De thans bestreden beslissing is gebaseerd op een proces-verbaal inzake opzettelijke slagen en verwondingen ten laste van de verzoekende partij hetwelk op zijn beurt steunt op videobeelden gemaakt door een anonieme omstaander. Zelfs indien aangenomen zou worden dat dit beeldmateriaal afkomstig is...

  • Vonnis van Raad van State, 9 februari 2017

    Volgens het koninklijk besluit van 13 november 1991 vindt voorafgaand aan de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden een functioneringsgesprek plaats vindt en worden de sterke en de zwakke punten van de kandidaat toegelicht. Uit dat beoordelingsformulier blijkt dat als zwak punt, onder de...

  • Vonnis van Raad van State, 28 februari 2017

    Het advies van de procureur des Konings werd niet gevraagd op grond van het "voorstel van tuchtstraf" zoals voorgeschreven door artikel 24 van de tuchtwet, maar op grond van het "voorstel van het inleidend verslag" dat was gevoegd bij de brief van de hogere overheid. Dat...

  • Vonnis van Raad van State, 16 mei 2014

    De omstandigheid dat inmiddels een verkavelingsvergunning en enkele stedenbouwkundige vergunningen voor bepaalde projecten in het binnengebied werden verleend, maakt niet dat de verzoekende partijen hun belang bij de vordering zouden verliezen, aangezien daardoor slechts een deel van het...

  • Vonnis van Raad van State, 8 mei 2018

    Het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 vindt rechtsgrond in art. 5.6.7, § 1, derde lid, VCRO dat de Vlaamse Regering machtigt om de bestemmingsgebieden aan te wijzen waarin geen zonevreemde milieuvergunning kan worden verleend. Een legistieke slordigheid bij de verwijzing naar de...