• Raad van State

Nieuwste documenten

  • Vonnis van Raad van State, 2 mei 2019

    Uit art. 4.3.3 VCRO volgt dat de vergunning wordt geweigerd dan wel onder sectoraal bepaalde voorwaarden wordt verleend wanneer de strijdigheid van het aangevraagde met direct werkende normen blijkt hetzij uit het door de vergunningverlenende overheid verplicht in te winnen advies, hetzij manifest uit het aanvraagdossier. Uit de artt. 6.4.4, § 2, en 6.4.6, tweede lid, van het onroerenderfgoeddecreet volgt dat de toelating in eerste aanleg als advies geïntegreerd werd in een vergunningsprocedure overeenkomstig de VCRO en dat de aanvrager een administratief beroep kan instellen tegen het toekennings- of weigeringsbesluit evenals de administrateur-generaal van het agentschap of een andere betrokken partij wat concreet betekent dat de instantie die de administratieve beroepen behandelt een advies inwint bij de Commissie en dat indien het advies van de Commissie door de Vlaamse minister bevoegd voor onroerend erfgoed wordt gevalideerd de beroepsinstantie dit advies moet overnemen in haar beslissing. Het bestreden arrest oordeelt dat de strijdigheid met de aangehaalde direct werkende normen manifest blijkt uit het aanvraagdossier en dat de vergunning bijgevolg overeenkomstig art. 4.3.3 VCRO moet worden geweigerd of dat aan de vergunningverlening voorwaarden moeten worden verbonden die de naleving van die direct werkende normen kunnen waarborgen.

  • Vonnis van Raad van State, 2 mei 2019

    Luidens art. 4.7.19, § 2, VCRO wordt een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning is verleend, door de aanvrager gedurende een periode van dertig dagen aangeplakt op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. De door deze decretale bepaling gemachtigde Vlaamse Regering heeft geen aanvullende vereisten naar inhoud of naar vorm opgelegd waaraan de aanplakking moet voldoen.

  • Vonnis van Raad van State, 30 april 2019

    Na een memorie van wederantwoord te hebben ingediend en nog voordat het auditoraat een verslag heeft opgesteld, heeft verzoeker een 'laatste memorie zaak Perpête-NIRAS' ingediend waarin hij repliceert op de door de verwerende partij in haar memorie van antwoord opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan belang. Het algemeen procedurereglement voorziet niet in de mogelijkheid om, nadat een memorie van wederantwoord is ingediend, nog een dergelijk processtuk neer te leggen. In de mate dat verzoeker in dat stuk nog repliceert op een door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het beroep, moet worden opgemerkt dat verzoeker daartoe de gelegenheid heeft gekregen in het kader van de memorie van wederantwoord. Verzoekers argumentatie in de bewuste 'laatste memorie' bevat geen elementen die hij niet in zijn memorie van wederantwoord had kunnen uiteenzetten. Het stuk dient uit het debat te worden geweerd.

  • Vonnis van Raad van State, 9 april 2019

    Door zonder enige nadere toelichting te stellen dat uit het advies van de PMVC, "waarin gesteld wordt dat er voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 5.6.7 van de VCRO\

  • Vonnis van Raad van State, 5 april 2019

    De bestreden voorlopige bescherming heeft, gelet op art. 6.1.9 van het Onroerenderfgoeddecreet een zeer beperkte uitwerking en vervalt overeenkomstig art. 6.1.11 van het voornoemde decreet van rechtswege indien vóór de einddatum van de voorlopige bescherming geen besluit tot definitieve bescherming is genomen. De voorlopige bescherming is een eerste stap in de beschermingsprocedure. De omzetting van de voorlopige bescherming in een definitieve bescherming is geen automatisme of vanzelfsprekendheid. Hoe dan ook kan de definitieve bescherming in voorkomend geval zelf tot voorwerp van een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring worden.

  • Vonnis van Raad van State, 4 april 2019

    De bevoegdheid die in artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet wordt toegekend aan de Vlaamse Regering, werd bij artikel 2, § 9, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juli 2014 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering toebedeeld aan de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw. Bij toepassing van artikel 14, eerste lid, van datzelfde besluit heeft deze minister bij besluit van 26 mei 2015 tot wijziging van het ministerieel besluit van 13 november 2006 tot regeling van specifieke en aanvullende delegatie van beslissingsbevoegdheden aan het hoofd van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Natuur en Bos, deze bevoegdheid gedelegeerd aan de administrateur-generaal van ANB. De steller van de bestreden akte is op grond van deze delegatiebesluiten wel degelijk bevoegd. De verwijzing in de bestreden beslissing, naar artikel 16, eerste lid, 4°, van het delegatiebesluit van 10 oktober 2003, naast de verwijzing naar artikel 9, 15°, van het delegatiebesluit van 13 november 2006, berust op een materiële vergissing die niet van aard is de wettigheid van de bestreden beslissing aan te tasten.

  • Vonnis van Raad van State, 4 april 2019

    Voor zover wordt gemotiveerd dat het betrokken gebied een klein agrarisch gebied betreft, zonder open en homogene landschappen met vrije zichten, en geen grote landschappelijke waarde vertoont, dient vastgesteld dat deze omstandigheid niet heeft belet dat dit kleine gebied in het verleden wel als waardevol werd bestempeld en bijgevolg als dusdanig blijvend moet worden beschermd. De overwegingen betreffende de link die met de windturbines kan worden gemaakt met het noordelijk gelegen industriegebied en de spoorlijn, gaan voorbij aan deze specifieke bescherming van het landschappelijk waardevol gebied. Met de verzoekers wordt vastgesteld dat de impact van het natuurgebied ten zuiden, noch de zichtlijnen vanuit de andere windstreken worden beoordeeld. Ook al zou een windturbinemast een zeer slanke constructie zijn (en daardoor minder ingrijpend dan grootschalige bebouwing) en betreft het te dezen traagdraaiende driewiekers die een rustig beeld zouden opleveren, heeft de verwerende partij niet in redelijkheid kunnen oordelen dat de te vergunnen windturbines de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen. Dit geldt des te meer nu niet alleen de windturbines, maar ook de toegangswegen en twee middenspanningscabines gelegen in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, daargelaten of zij vergunningsplichtig zijn, betrokken dienen te worden bij voornoemde "esthetische toets\

  • Vonnis van Raad van State, 4 april 2019

    Art. 4.7.21, § 2, 2°, VCRO bepaalt dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de beslissing van het college van burgemeester en schepenen omtrent de vergunningsaanvraag, georganiseerd administratief beroep bij de deputatie kan instellen tegen deze vergunningsbeslissing. Luidens art. 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO kan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de vergunningsbeslissing van de deputatie daartegen jurisdictioneel beroep instellen bij de RvVb. De aard van de door deze personen voor de deputatie en vervolgens voor de RvVb aannemelijk te maken rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen die het gevolg zijn van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen en, naar aanleiding van een georganiseerd administratief beroep tegen die beslissing, van de deputatie over dezelfde vergunningsaanvraag, is dezelfde. Het arrest dat ter beantwoording van de betwisting dat de verzoekende partijen voor de RvVb (thans tussenkomende partijen) over het naar recht vereiste belang beschikken, beslist dat de beoordeling van deze exceptie samenvalt met de beoordeling van de gegrondheid van het middel van tegen het onontvankelijk verklaren van hun administratief beroep tegen de voormelde vergunning en dat dit middel om de aangehaalde redenen gegrond verklaart, is bijgevolg wettig.

  • Vonnis van Raad van State, 18 maart 2019

    Het brevet waarover verzoeker beschikt is geen diploma dat evenwaardig is met de diploma's welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau A bij de federale rijksbesturen, noch aan het diploma bedoeld in art. 142sexies van de wet van 7 december 1998. De in art. XII.IV.6 RPPol bepaalde valorisatie van de brevetten strekte er, als overgangsmaatregel, toe om bij de oprichting van de geïntegreerde politie op 1 april 2001, de houders ervan die lid zijn van een middenkader, de mogelijkheid te bieden over te gaan naar het officierskader zonder dat zij hiertoe de in de nieuwe rechtspositieregeling bepaalde voorwaarden moeten vervullen. Niet blijkt dat de wetgever ook een gelijkwaardigheid beoogde van het brevet op grond waarvan die kadersprong mocht gebeuren, met het diploma dat na de inplaatsstelling van de geïntegreerde politie, door de laureaten van de basisopleiding voor het officierskader wordt behaald.

  • Vonnis van Raad van State, 12 maart 2019

    De aanvraag betreft de realisatie van een gebouw met drie woongelegenheden, waar dit voorheen een eengezinswoning was. Het geviseerde project betreft aldus de creatie van een nieuw "gebouw met meerdere woningen\

Aanbevolen documenten

  • Vonnis van Raad van State, 17 september 2013

    Vergunningen die voor de datum van inwerkingtreding van het milieuvergunningsdecreet zijn verleend, blijven geldig voor de in het vergunningsbesluit bepaalde vergunningstermijn, en zulks uiterlijk tot 1 september 2016. Die vergunningen zijn niet beperkt tot deze verleend op grond van het ARAB,...

  • Vonnis van Raad van State, 9 maart 2015

    De RvS is bevoegd om in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een eenzijdige administratieve rechtshandeling kennis te nemen van een middel waarin wordt aangevoerd dat die handeling werd gesteld in strijd met art. 32tredecies van de wet van de wet van 4 augustus 1996 of een overtreding...

  • Vonnis van Raad van State, 27 juni 2014

    Alhoewel de offerte van de eerste en tweede tussenkomende partij slechts als tweede werd gerangschikt hebben zij er belang bij dat de vordering wordt afgewezen nu de verzoekende partij ook de schorsing van de tenuitvoerlegging bij UDN vordert van de beslissing van de PMV om hun offerte regelmatig...

  • Vonnis van Raad van State, 27 maart 2014

    De constructies van de windturbines is een zaak van een bouwvergunning. Indien daaruit voor de verzoekers een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou kunnen voortvloeien, kunnen zij dergelijk nadeel niet aanvoeren bij hun verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning die...

  • Vonnis van Raad van State, 27 februari 2014

    Uit de beslissing tot de weigering van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag van de verzoeker.p. kan worden afgeleid dat zij de modaliteiten van het door haar voorgenomen project mogelijkerwijze zal moeten afstemmen op de met het bestreden besluit vergunde windturbines. Ook al beschikt de...

  • Vonnis van Raad van State, 16 juni 2014

    De zaak betreft de samenloop van een centraal georganiseerde proef en een selectie op het niveau van de scholengroep in het kader van de aanstelling van een algemeen directeur. Het enkele feit dat de raad van bestuur van de scholengroep een eigen onderzoek heeft gedaan naar de aanspraken en...

  • Vonnis van Raad van State, 23 oktober 2018

    Art. 1.3.2, § 3, derde lid, 7° en 8°, VCRO voorziet er uitdrukkelijk er dat de Procoro mede wordt samengesteld uit leden-deskundigen die werkzaam zijn op het provinciebestuur. Deze omstandigheid toont derhalve nog geen ontoelaatbare vooringenomenheid of partijdigheid in hun hoofde aan. Verder...

  • Vonnis van Raad van State, 2 juli 2015

    Bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag moet de overheid de regels inzake ruimtelijke ordening betrekken. Het gegrond bevinden van het middel zoals door de verzoeker.p. aangevoerd zal leiden tot het onwettig bevinden van de bestreden vergunning zodat de inrichting niet zal kunnen...

  • Vonnis van Raad van State, 11 juni 2015

    Voor het beweerd ontbreken van een maatschappelijk draagvlak, steunt de verw.p. klaarblijkelijk op het feit dat tijdens het openbaar onderzoek 111 bezwaarschriften werden ingediend. De loutere verwijzing naar het aantal ingediende bezwaarschriften, zonder op concrete en ondubbelzinnige wijze aan te ...