• Raad van State

Nieuwste documenten

  • Vonnis van Raad van State, 29 oktober 2019

    De sectorale milieuvoorwaarden van Vlarem II verplichten de inrichtingen van rubriek 28.3 van de indelingslijst om een luchtbehandelingsinstallatie te gebruiken om ammoniakemissie en hinder te voorkomen. Dit maakt een essentieel onderdeel uit van de vergunningsaanvraag. Te dezen werd een alternatieve methode voor de luchtbehandeling aangevraagd en vergund. In de loop van de procedure in beroep heeft de exploitant zelf laten weten dat die methode bij nader inzien toch niet leek te zullen voldoen. Hij heeft daarom een andere alternatieve methode voorgesteld, die met de bestreden beslissing werd vergund. De aanvraag werd gewijzigd, door een toevoeging die noodzakelijk wordt geacht om te kunnen voldoen aan de sectorale milieuvoorwaarden, en dus om de vergunning te kunnen verlenen. Het gaat dan ook om een essentiële wijziging. Het feit dat de toevoeging van een bijkomende trap in het voordeel van verzoeker zou zijn, ontneemt hem niet het belang bij het bestrijden van deze essentiële wijziging. De bestreden vergunning werd te dezen dus verleend met schending van de regelgeving inzake het openbaar onderzoek.

  • Vonnis van Raad van State, 25 oktober 2019

    De verzoekende partijen maken niet duidelijk in welk opzicht de bestreden beslissing "voor heel wat projectonderdelen [...] rechtstreeks [kan] leiden tot belangrijke werken [die] de eigendom van verzoeker in bijzondere mate aantasten". Zij verduidelijken niet in het minst welke "projectonderdelen" en welke "werken" zij precies bedoelen. Evenmin lichten de verzoekende partijen hun plannen met betrekking tot de aanwending van hun percelen toe, of verduidelijken zij wat concreet wordt bedoeld met hun standpunt dat "de ingrepen in de groene en natuurlijke omgeving belangrijke schade zullen aanrichten welke niet hersteld kan worden door een nakomend annulatiearrest". Een en ander is al te vaag geformuleerd om tot het bestaan van de vereiste spoedeisendheid te kunnen doen besluiten.

  • Vonnis van Raad van State, 24 oktober 2019

    Uit de gegevens van het dossier waarop de RvS acht mag slaan, blijkt dat aan de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie geen last is verbonden in de zin van art. 4.2.20, §1, vierde lid VCRO en art. 4.2.5, §1, eerste lid van het decreet grond- en pandenbeleid. Het bestreden arrest dat aanneemt dat aan de last van het bescheiden woonaanbod is voldaan, zelfs indien dit niet uitdrukkelijk is bepaald, waardoor de verzoekende partij geen belang heeft bij haar middel, schendt art. 4.2.5 van het decreet grond- en pandenbeleid en artikel 4.2.20 VCRO.

  • Vonnis van Raad van State, 24 oktober 2019

    De in art. 4.2.3 VCRO bedoelde lijst van de Vlaamse Regering (van van vergunning vrijgestelde handelingen) betreft onder meer de in art. 4.2.1 VCRO bedoelde handelingen met een geringe ruimtelijke impact dan wel (stedenbouwkundige) handelingen die erin worden opgenomen door de Vlaamse Regering rekeninghoudend met hun ruimtelijke impact omwille van hun omvang, aard of ligging. Het bestreden arrest schendt art. 4.2.3 VCRO door te besluiten dat het middel "steunt op de verkeerde premisse dat het aangevraagde niet vergunningsplichtig is" omdat "[e]en bestaande ruimte ontdubbelen om er twee winkels in te huisvesten, [\u0085] niet [kan] beschouwd worden als een handeling die uit haar aard geen ruimtelijke impact heeft aangezien door de handeling het aantal winkels en de oppervlakte van de winkelruimte wijzigt".

  • Vonnis van Raad van State, 24 oktober 2019

    De kwalificatie van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor de bouw van meerdere woningen tot groepswoningbouw vereist een omstandige oordeelsvorming van het vergunningverlenende bestuursorgaan.

  • Vonnis van Raad van State, 24 oktober 2019

    Door de argumenten van de verzoekende partij met betrekking tot het openbaar karakter van de wegenis in de vergunningsaanvraag af te doen als "niet duidelijk" wat betreft hun relevantie of doorslaggevend karakter of als gegevens te beschouwen waarvan niet werd aangetoond dat er aandacht aan had moeten worden besteed bij de beoordeling, en als "des te minder overtuigend" omdat zij door de verzoekende partij in eerste administratieve aanleg als niet "relevant bij de beoordeling van de wegenis" werden beschouwd, verzuimt de RvVb in het regelmatigheidsonderzoek dat hem wordt opgedragen, na te gaan of de deputatie op grond van juiste feitelijke gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat er geen openbare wegenis wordt voorzien. De RvVb schendt de artt. 2 en 42 van het gemeentedecreet en art. 4.2.25 VCRO.

  • Vonnis van Raad van State, 22 oktober 2019

    Op de hoorzitting in graad van administratief beroep was verzoeker door zijn raadsman vertegenwoordigd, die een verweernota voor hem heeft neergelegd. Het enkele feit dat verzoeker niet persoonlijk op de hoorzitting kon aanwezig zijn, maakt geen schending van het hoorrecht of de rechten van verdediging uit. Verzoeker heeft tegen de beslissing tot bevestiging van de administratieve geldboete beroep aangetekend. Ingevolge de toepasselijke reglementering kon hij verwachten dat binnen een termijn van 30 dagen een uitspraak over dit beroep zou volgen.

  • Vonnis van Raad van State, 22 oktober 2019

    Een "planologische regularisatie" middels een gemeentelijk RUP is niet a priori onwettig, op voorwaarde dat een deugdelijke ruimtelijke afweging overeenkomstig art. 1.1.4 VCRO aan het plan ten grondslag ligt. De verzoekende partijen tonen in hun verzoekschrift niet aan dat dit laatste te dezen niet het geval zou zijn.

  • Vonnis van Raad van State, 15 oktober 2019

    Bij gebrek aan een tijdig ingestelde memorie van wederantwoord vervalt op grond van art. 21, tweede lid RvS-wet, verzoekers belang. Er is hem, in het kader van de elektronische procedure, daarop geattendeerd middels een e-mailbericht. Verzoeker stelt de verplichting tot het indienen van een memorie van wederantwoord over het hoofd te hebben gezien omdat het e-mailbericht niet het uitzicht had van de klassieke brief die de griffie pleegt toe te sturen indien geen gebruik wordt gemaakt van de elektronische procedure. Dat een mededeling die de griffie aan een partij doet een enigszins verschillende vorm en voorkomen vertoont naargelang ze wel of niet gebeurt in het kader van de elektronische procesvoering, is op zichzelf onvoldoende om tot een verboden discriminatie te doen besluiten. Voorts was het e-mailbericht dat verzoeker van de griffie ontving kort en niet mis te verstaan. In de gegeven omstandigheden kan geen overmacht of onoverwinnelijke dwaling worden aangenomen ter vergoelijking dat verzoeker naliet een memorie van wederantwoord in te dienen.

  • Vonnis van Raad van State, 15 oktober 2019

    De oprichting van de waterzuiveringsinfrastructuur wordt mogelijk gemaakt door een gemeentelijk RUP. Het beroep tot nietigverklaring door de verzoekende partijen werd door de RvS verworpen. De rechtsvoorgangers van de verzoekende partijen hebben tegen dat RUP tijdens het openbaar onderzoek een bezwaar ingediend, zodat zij wel degelijk de mogelijkheid hebben gehad hun bezwaren en opmerkingen te doen gelden. De verzoekende partijen ontkrachten niet dat voor het gemeentelijk RUP -dat een reglementaire aard heeft- reeds in 2012 voldaan is aan de wettelijke bekendmakingsvereisten. Derhalve moeten de verzoekende partijen reeds op het ogenblik dat zij de naakte eigendom van het perceel verwierven - en dus vóór het bestreden besluit werd genomen - geacht worden kennis te hebben gehad van het gemeentelijk RUP. In dat licht is het ten onrechte dat zij beweren dat er onduidelijkheid zou bestaan over de bestemming van het perceel.

Aanbevolen documenten

  • Vonnis van Raad van State, 12 augustus 2016

    Verzoeker heeft het verweer dat hij voor de raad voor maatschappelijk welzijn als tuchtoverheid heeft gevoerd, voor de beroepscommissie wezenlijk en doorgaans zelfs woordelijk herhaald, zonder in te gaan op de uitvoerige motivering van het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn ter...

  • Vonnis van Raad van State, 27 juni 2014

    Alhoewel de offerte van de eerste en tweede tussenkomende partij slechts als tweede werd gerangschikt hebben zij er belang bij dat de vordering wordt afgewezen nu de verzoekende partij ook de schorsing van de tenuitvoerlegging bij UDN vordert van de beslissing van de PMV om hun offerte regelmatig...

  • Vonnis van Raad van State, 28 februari 2017

    Het advies van de procureur des Konings werd niet gevraagd op grond van het "voorstel van tuchtstraf" zoals voorgeschreven door artikel 24 van de tuchtwet, maar op grond van het "voorstel van het inleidend verslag" dat was gevoegd bij de brief van de hogere overheid. Dat...

  • Vonnis van Raad van State, 2 maart 2017

    Het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in de artt. 10 en 11 van de GW en art. 5 van de wet van 15 juni 2006, gebiedt de aanbestedende overheden de aannemers, de leveranciers en de dienstverleners op gelijke wijze te behandelen. De verzoekende partij voert aan dat de offertes niet vergelijkbaar...

  • Vonnis van Raad van State, 4 juli 2017

    Een GRUP van 2009, dat de eerste uitbreiding van het bedrijfsterrein mogelijk maakt in de zone B en dat prima facie moet worden aanzien als een ander plan dan het bestreden GRUP, werd gekoppeld aan de ontwikkeling van een natuurherstelgebied in zone C. Het bestreden GRUP maakt de tweede uitbreiding ...

  • Vonnis van Raad van State, 9 februari 2017

    Volgens het koninklijk besluit van 13 november 1991 vindt voorafgaand aan de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden een functioneringsgesprek plaats vindt en worden de sterke en de zwakke punten van de kandidaat toegelicht. Uit dat beoordelingsformulier blijkt dat als zwak punt, onder de...

  • Vonnis van Raad van State, 19 juni 2014

    De vertrouwdheid van de verzoekende partij met het kanton en de mobiliteitsproblematiek die zij schetst, zijn objectieve factoren voor een kandidaat om de ene betrekking boven de andere te verkiezen. Wil de Raad van State nog met de tussenkomende partij aannemen dat de beschreven nadelen mogelijk...

  • Vonnis van Raad van State, 30 november 2015

    Er blijkt niet dat de wetgever, door het formuleren van een uitdrukkelijke wetsbepaling (art. 259bis-19, § 1, Gerechtelijk Wetboek) die een vertaling vormt van het onpartijdigheidsbeginsel voor andere dan de in die bepaling opgesomde situaties, de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel heeft...

  • Vonnis van Raad van State, 30 oktober 2014

    De bestreden benoeming werd ter kennis gebracht aan de verzoeker op 31 mei 2013. In die kennisgeving werd gesteld dat de benoeming zou worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 juni 2013 en dat beroepstermijn aan aanvang neemt vanaf die bekendmaking. Ofwel is die mededeling over de...

  • Vonnis van Raad van State, 26 maart 2013

    De door de verzoekende partij daags voor de terechtzitting ingediende nieuwe argumentatie, die zelfs als een nieuw middel lijkt te kunnen worden aangemerkt, is niet toelaatbaar in de onderhavige procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Ze is immers aangebracht in een geschrift dat niet in...