• Raad van State

Nieuwste documenten

  • Vonnis van Raad van State, 28 september 2018

    Het algemene betoog van verzoekers dat er zich "ondertussen meer permanente bewoners [zullen] vestigen in het [bestreden] plangebied, met een dichtere bewoning tot gevolg en meer druk op het gebied van het bos" en er "ondertussen" "ook chalets in het bestreden PRUP [zullen] worden verkocht als zijnde permanente woonst\

  • Vonnis van Raad van State, 25 september 2018

    Inmiddels is het decreet van 15 juli 2016 'betreffende het integraal handelsvestingsbeleid' in werking is getreden. Art. 3 van dit decreet voorziet thans in vier categorieën van kleinhandelsactiviteiten. Het oude assortiment (meubelen) en het nieuwe assortiment (sportgoederen) behoren beide tot de vierde categorie, waardoor de assortimentswijziging niet langer vergunningsplichtig is. Evenmin is er onder het nieuwe decreet een vergunning nodig voor de beperkte uitbreiding van de netto handelsoppervlakte tot 20 % of maximum 300 m\u00b2. Hierdoor ontbeert de verzoekende partij het vereiste actueel belang bij haar beroep.

  • Vonnis van Raad van State, 13 september 2018

    De, bij het BB ingetrokken, beslissing tot vaststelling van het verval van milieuvergunningen voor de exploitatie van een rundveestal heeft een louter rechtserkennend en geen rechtsverlenend karakter. Ze kan op elk ogenblik worden ingetrokken. Bij de intrekking moet wel rekening worden gehouden met verzoekers belangen als omwonenden van de vergunningsplichtige inrichting, te meer gelet op de redenen waarom ze hebben verzocht aan de toezichthoudende overheid om het verval van de verleende milieuvergunningen vast te stellen. Uit de BB blijkt dat de intrekking steunt op het gegeven dat een annulatieberoep aanhangig is bij de RvVb tegen de stedenbouwkundige vergunning voor "het oprichten van een vleesveestal, een mestvaalt en erfverhardingen" op dezelfde percelen waarop de milieuvergunninge...

  • Vonnis van Raad van State, 13 september 2018

    Dat eerste verzoeker eigenaar is van een gebouw dat paalt aan de vergunde inrichting, verschaft hem op zich het vereiste belang om de bestreden milieuvergunning in rechte aan te vechten, ongeacht de ligging van zijn effectieve woonplaats. De BB is een in laatste aanleg en na uitputting van alle administratieve beroepen genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag die in beginsel op ontvankelijke wijze voor de RvS kan worden bestreden. Daarbij is het van geen belang dat de oorspronkelijk tweede en vijfde verzoekende partij zelf geen administratief beroep zouden hebben ingediend. De verzoekende partijen maken aannemelijk dat de verandering van de bestaande inrichting - algemeen beschouwd - gepaard gaat met een toename van omgevingshinder die mede teweeggebracht wordt door de expl...

  • Vonnis van Raad van State, 13 september 2018

    In casu betreft het bestuurlijke maatregelen tot herstel van een stuk grond naar de oorspronkelijke bos- en natuurfunctie na vaststelling van een milieumisdrijf op grond van schendingen van het bosdecreet. Het stedenbouwkundig- en het milieuhandhavingsbeleid dienen onderscheiden doelstellingen. Het eventuele gedogen op stedenbouwkundig vlak van de constructies, kon niet het gerechtvaardigde vertrouwen doen ontstaan dat gebeurlijke milieumisdrijven ten eeuwigen dage zouden worden getolereerd.

  • Vonnis van Raad van State, 13 september 2018

    In casu betreft het bestuurlijke maatregelen tot herstel van een stuk grond naar de oorspronkelijke bos- en natuurfunctie na vaststelling van een milieumisdrijf op grond van schendingen van het bosdecreet. In het proces-verbaal wordt uitdrukkelijk vermeld dat de vaststellingen werden gedaan "vanop de openbare weg". Dit stuk wordt door de verzoekende partijen niet van valsheid beticht. De verzoekende partijen leiden uit de bestreden beslissing ten onrechte af dat de verwerende partij de mening zou zijn toegedaan "dat de grondwettelijke bescherming van de woning enkel opgaat voor 'bewoonde lokalen'". Er bestaat dan ook geen aanleiding om de gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

  • Vonnis van Raad van State, 13 september 2018

    Wanneer de Raad van State in het raam van een kortedebattenprocedure, zoals te dezen, wordt uitgenodigd het beroep ambtshalve uit te breiden en het middel gegrond te bevinden, verzet de rechtszekerheid er zich tegen dat formeel bestaande en uiterlijk regelmatige rechtshandelingen buiten enig regelmatig beroep om in vraag zouden kunnen worden gesteld. De vraag of het aan de Raad van State toekomt zich in de plaats te stellen van de verzoekende partijen om te oordelen of zij er belang bij hebben het oorspronkelijke beroep tot nietigverklaring uit te breiden dan wel deze handelingen niet aan te vechten, is dan ook geen aangelegenheid die met korte debatten kan worden beslecht.

  • Vonnis van Raad van State, 13 september 2018

    Ook ingeval de exploitatie van een helihaven niet gepaard gaat met werken of handelingen waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is, moet de milieuvergunningsaanvraag aan de geldende plannen van aanleg worden getoetst. Alleen al om reden dat de exploitatie van een helihaven overeenkomstig de op het geding toepasselijke rubriek 57.4 van de indelingslijst bij Vlarem I aan de milieuvergunningsplicht is onderworpen, kan er geen sprake zijn van een "niet-vergunningsplichtige handeling" zoals bedoeld in artikel 4.4.1, § 3, derde lid, VCRO. Voorts strekt de aanleg van een terrein om het landen en opstijgen van helikopters mogelijk te maken, ook al is de landingsplaats zelf niet verhard en zou enkel de contour van de landingscirkel aangegeven worden met "klinkers, verf of kalk\

  • Vonnis van Raad van State, 13 september 2018

    Met toepassing van artikel 52 van het algemeen procedurereglement kan bij ontstentenis van kennisgeving bedoeld in artikel 6, § 4, van hetzelfde reglement - dit is het op basis van de aanwijzingen van de auditeur-generaal of het door hem aangewezen lid van het auditoraat ter kennis brengen van het verzoekschrift tot nietigverklaring aan de personen die belang hebben bij het oplossen van de zaak, voor zover deze geïdentificeerd kunnen worden - de met de zaak belaste kamer een latere tussenkomst toelaten, voor zover deze de procedure niet vertraagt. Te dezen heeft het verzoek tot tussenkomst, ingediend voor de neerlegging van het verslag van de auditeur, geen vertraging van de procedure meegebracht. De schending van de aangevoerde rechten van verdediging wordt niet aannemelijk gemaakt.

  • Vonnis van Raad van State, 4 september 2018

    Door de intrekking van de tweede bestreden beslissing bestaat er in hoofde van verzoeker geen beslissing meer waarop de met de eerste bestreden beslissing vastgestelde correctiecoëfficiënt kan worden toegepast. Verzoeker heeft de mogelijkheid op het ogenblik dat een nieuwe beslissing wordt genomen in de plaats van de tweede bestreden beslissing, alsnog de schorsing bij UDN van de eerste bestreden beslissing te vorderen indien hij daar belang bij zou hebben. In ieder geval heeft hij reeds een gewone vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ertegen ingesteld. Het blijkt niet dat op dit ogenblik een schorsing bij UDN van de eerste beslissing is vereist opdat verzoeker geen onherroepelijke schadelijke gevolgen zou lijden.

Aanbevolen documenten

  • Vonnis van Raad van State, 2 maart 2017

    Het BB (genomen overeenkomstig de artt. 11 en 65 ruilverkavelingswet) dat oordeelt dat een ruilverkaveling nuttig is, dat het kavelplan wordt vastgesteld en dat zal worden overgegaan tot de ruilverkaveling van de aangeduide goederen kan niet worden beschouwd als de toepassing in een concreet geval...

  • Vonnis van Raad van State, 17 april 2018

    Vastgesteld wordt dat de verzoekende partij zich bij de omschrijving van haar belang in haar verzoekschrift niet uitdrukkelijk op haar "beleidsvisie" om "voorrang" te geven aan een ander project beroept, maar wel op het feit dat de door haar in eerste bestuurlijke aanleg genomen ...

  • Vonnis van Raad van State, 17 april 2018

    De overheid die over een handelsvestigingsvergunningsaanvraag moet oordelen, dient de verenigbaarheid van het gevraagde met de verordenende planvoorschriften na te gaan. Verplicht is evenwel niet dat dit in een afzonderlijk onderdeel van de te nemen beslissing, los van de criteria van de...

  • Vonnis van Raad van State, 13 november 2012

    Het gehanteerde onderscheidingscritrium in het thans bestreden artikel 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen, waarbij de opgewekte groene stroom rechtstreeks in een in België gelegen...

  • Vonnis van Raad van State, 26 april 2018

    Overeenkomstig art. 52, § 1, van het algemeen procedurereglement samengelezen met de artt. 26, 41, 43 en 49 van het cassatieprocedurereglement dient het verzoekschrift tot tussenkomst te worden ingediend uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de beschikking bedoeld in art....

  • Vonnis van Raad van State, 15 januari 2018

    In de ruim buiten de termijn toegezonden memorie van antwoord merkt de verwerende partij op dat zij de brief met de uitnodiging tot het indienen van een memorie "nooit ontvangen" heeft. Nu de antwoordkaart waarmee de zending aan het adres van de verwerende partij is aangeboden is...

  • Vonnis van Raad van State, 16 januari 2018

    Aangezien de verzoekende partij de beschermde woning heeft verkocht en daardoor haar aanvankelijke, op het eigendomsrecht gesteunde, rechtstreekse belang heeft verloren, is de vraag of zij zich vandaag dienstig kan beroepen op een ander belang. Daargelaten de vraag of het niet kunnen realiseren van ...

  • Vonnis van Raad van State, 13 maart 2018

    Verzoekers zijn eigenaar en bewoner van een huis in de onmiddellijke nabijheid van het bestreden wegtracé, dat de enige ontsluiting vormt van een verkavelingsproject met 50 loten of 73 wooneenheden. Gelet op de mogelijke mobiliteitsimpact op de woon- en leefomgeving van verzoekers, doen zij blijken ...

  • Vonnis van Raad van State, 27 april 2018

    De verplichting tot het plaatsen van rookmelders vloeit voort uit art. 2 van besluit van 15 april 2004. Het voormelde besluit vindt luidens zijn aanhef rechtsgrond in art. 4, § 2, van de Brusselse Huisvestingscode. Anders dan verzoekers dit zien, is dit gebrek sanctioneerbaar in toepassing van art. ...