Ministerieel besluit tot vastlegging voor de diensten voor gezinszorg van de voorwaarden voor de toekenning van een subsidiabel urencontingent gezinszorg, vermeld in artikel 49, en van de ontvankelijkheidscriteria voor de aanvraag van extra uren gezinszorg, vermeld in artikel 50 van bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers, van February 25, 2021

 
GRATIS UITTREKSEL

Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder bijlage 2: bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers.

Art. 2. Binnen de beschikbare begrotingskredieten behoudt een erkende dienst voor gezinszorg minstens zijn maximale subsidiabele uren, zoals toegewezen ter uitvoering van artikel 49, derde lid, van bijlage 2, van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de extra uren gezinszorg worden toegekend.

In afwijking van het eerste lid krijgt een erkende dienst waarvan de realisatie van het urencontingent gezinszorg, zoals berekend in Vesta, lager is dan 80 % in het derde en tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarvoor het maximale aantal subsidiabele uren wordt bepaald, een urencontingent toegewezen dat gelijk is aan de hoogste realisatie van zijn urencontingent in een van die twee kalenderjaren, verhoogd met 3 %. Een erkende dienst behoudt minstens een urencontingent van 15.390 uur.

Het verschil tussen het urencontingent gezinszorg dat toegewezen is voor het kalenderjaar en het urencontingent gezinszorg van het voorgaande kalenderjaar wordt toegevoegd aan de extra te verdelen uren gezinszorg.

Als een dienst in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarvoor het maximale aantal subsidiabele uren wordt bepaald, een verlaagd urencontingent gezinszorg heeft gekregen ter uitvoering van het tweede lid, is het tweede lid niet van toepassing.

Vanaf het werkingsjaar 2022 wordt het percentage van 80 %, vermeld in het tweede lid, vervangen door 85 % en wordt de realisatie van het urencontingent en de afname van de uren gezinszorg berekend op het niveau van een regionale stad.

Een urencontingent op het niveau van een regionale stad bedraagt minimaal 1539 uur. Bij een afname van uren gezinszorg in een regionale stad behoudt de dienst minimaal 1539 uur in die regionale stad.

De realisatie van het urencontingent, vermeld in het vijfde lid, wordt berekend door de procentuele verhouding te nemen van de prestaties gezinszorg van de dienst op het niveau van een regionale stad ten opzichte van het urencontingent dat aan de dienst toegewezen is voor die regionale stad, van hetzelfde jaar als het jaar waarin de uren gezinszorg in de regionale stad in kwestie gepresteerd zijn.

De prestaties gezinszorg op het niveau van een regionale stad bestaan uit de som van de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT