8 MEI 2018. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 mei 2007 met betrekking tot de Private Privak en het KB/WIB 92 betreffende de verzaking van de inning van roerende voorheffing

 
GRATIS UITTREKSEL

VERSLAG AAN DE KONING

Sire,

In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat het ontwerp van koninklijk besluit en het verslag aan de Koning ingevolge al de opmerkingen van de Raad van State werden aangepast.

Dit ontwerp van koninklijk besluit heeft als oogmerk het koninklijk besluit van 23 mei 2007 met betrekking tot de private privak (hierna het koninklijk besluit van 23 mei 2007) te wijzigen, die toen het koninklijk besluit van 15 mei 2003 met betrekking tot de private privak en tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 april 1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven (hierna het koninklijk besluit van 15 mei 2003) verving. De veranderingen beogen een aantal wijzigingen aan het statuut in te lassen die beantwoorden aan de volgende overwegingen.

Ten eerste past het de tekst van het koninklijk besluit te laten aansluiten bij een aantal wetten die sinds 23 mei 2007 van kracht werden, zoals de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders (hierna "AICB-wet"), en derhalve de verwijzingen in het betreffende koninklijk besluit te actualiseren.

Ten tweede is het de bedoeling om het reglementair en fiscaal kader van de private privak aan te passen op die domeinen waar de praktijkervaring uitgewezen heeft dat zij het succesvol aanwenden van de private privak als vehikel voor collectieve investering in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven in de weg staan, alsook de private privak meer in lijn te brengen met vergelijkbare buitenlandse instrumenten.

Sinds de invoering van het statuut van de private privak in 2003 zijn er slechts een beperkt aantal private privaks opgericht. Hoewel het koninklijk besluit van 23 mei 2007 het regelgevend kader rond de private privak een eerste keer heeft gewijzigd waardoor de private privak op een aantal vlakken aantrekkelijker werd, dringen een aantal bijkomende aanpassingen zich op om van de private privak een echt succesverhaal te maken. Daarom wordt nu voorgesteld om een aantal gerichte wijzigingen aan te brengen aan het koninklijk besluit van 23 mei 2007, alsook parallel aan de AICB-wet en het Wetboek Inkomstenbelasting (hierna "WIB").

Op die manier willen we de private privak nieuw leven inblazen als instrument voor de financiering en verdere groei van onze niet-genoteerde bedrijven en derhalve de economische groei en de tewerkstelling stimuleren.

Hierna wordt meer uitleg gegeven bij de voorgestelde wijzigingen.

In artikel 2, 1°, (artikel 2 van het ontwerp), wordt het begrip private belegger aangepast teneinde te voorzien dat de minimum investering die dient te gebeuren 25.000 euro, in plaats van 100.000 euro, bedraagt. Door deze drempel te verlagen wordt de kans geboden aan een bredere groep van personen om een investering in een private privak te maken. De verlaging van deze drempel doet geen afbreuk aan de vereiste dat de private privak per definitie geen openbare AICB is en bijgevolg haar financiële middelen niet mag aantrekken via een openbaar aanbod in België. Zolang een minimum tegenwaarde van 100.000 euro per belegger en per categorie effecten (of een nominale waarde per eenheid van ten minste 100.000 euro) vereist was om als private belegger te worden beschouwd, ging het (op basis van artikel 5, § 1, 3° of 5°, van de AICB-wet van 19 april 2014 automatisch ook om een aanbieding die geen openbaar karakter had. Nu wordt voorgesteld deze drempels te verlagen tot 25.000 euro, moet erover worden gewaakt dat het niet-openbare karakter van de aanbieding en dus van de privak wordt gewaarborgd op grond van de andere criteria van artikel 5, § 1, van de AICB-wet, waaronder de aanbieding van effecten die gericht zijn aan minder dan 150 personen die geen professionele beleggers zijn (wat veronderstelt dat maximum 149 niet-professionele beleggers mogen worden aangezocht, wat strenger is dan het aantal beleggers dat effectief ingaat op de aanbieding). Indien de privak een aanbieding zou verrichten die toch een openbaar karakter heeft, miskent zij haar private karakter.

Artikel 3 (artikel 3 van het ontwerp) wordt geherformuleerd zodat duidelijker is dat de private privak reeds kan zijn opgericht alvorens de aanvraag bij de FOD Financiën wordt ingediend, maar nog geen beleggingen als bedoeld in artikel 183, eerste lid, 5°, van de AICB-wet mag hebben gedaan. Een vennootschap die reeds zulke beleggingen heeft gemaakt, kan zich derhalve nog steeds niet omvormen tot een private privak. Uiteraard moet de vennootschap die als Private privak wenst te worden ingeschreven ook de regel dat de private privak geen andere activa mag bezitten dan die welke noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van haar doel (artikel 299 van de AICB-wet van 19 april 2014) naleven.

Er wordt een nieuw artikel 3/1 ingevoerd, welke toelaat om binnen een private privak verschillende compartimenten op te richten. Deze mogelijkheid is bijvoorbeeld ook voorzien bij de institutionele bevek en de private startersprivak. Teneinde geen afbreuk te doen aan de onderliggende idee dat een private privak een beleggingsvennootschap is, werd bepaald dat de betreffende vereisten in verband met een zekere diversificatie van het aandeelhouderschap dienen vervuld te zijn per compartiment.

In artikel 4 (artikel 5 van het ontwerp), wordt een verduidelijking aangebracht teneinde te vermijden dat bestaande aandeelhouders of vennoten telkens opnieuw bij de toetreding van nieuwe aandeelhouders of vennoten moeten attesteren dat zij niet met elkaar verbonden zijn in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen.

In artikel 10, § 2, tweede lid, 2° (artikel 8 van het ontwerp) wordt voorzien in de mogelijkheid voor de private privak om de eventuele inbreuken die door de FOD Financiën zouden worden vastgesteld recht te zetten en dit gedurende een korte periode van een maand. Deze mogelijkheid verhoogt de rechtszekerheid en laat een private privak toe eventuele inbreuken snel recht te zetten, zonder daar onmiddellijk haar statuut door te verliezen.

In artikel 12 (artikel 9 van het ontwerp) worden de bedragen van 25.000 euro, gebruikt in artikel 2, overgenomen. Tevens wordt verduidelijkt dat ook bij doorverkoop moet worden vermeden dat er sprake is van een openbare aanbieding.

In artikel 10 van het ontwerp wordt verduidelijkt dat een aandeelhoudersovereenkomst die de private privak kan sluiten ook andere zaken kan bepalen tussen partijen dan die zaken die letterlijk vermeld worden in artikel 13.

Artikel 14 (artikel 11 van het ontwerp) van het koninklijk besluit van 23 mei 2007 wordt geschrapt gezien de opheffing van artikel 304, § 2 van de AICB-wet, zodat de uitzonderingen voorzien in artikel 14 van het koninklijk besluit...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT