Vonnis/arrest, Arbeidshof van Brussel, 2022-12-20

JurisdictionBélgica
CourtArbeidshof van Brussel
Judgment Date20 décembre 2022
ECLIECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20221220.1
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20221220.1
Docket Number2022/KB/22
Uitgifte Repertoriumnummer Uitgereikt aan 2022 / Datum van uitspraak op 20 december 2022 € JGR Rolnummer 2022/KB/22 Beslissing waartegen beroep 22/ 235/K Arbeidshof te Brussel Arrest inzake eenzijdige procedure EENZIJDIGE VERZOEKSCHRIFTEN – opvang asielzoekers definitief kennisgeving per gerechtsbrief (art. 1030 Ger. W.) INZAKE De heer ZZ, RR , geboren te op , van Palestijnse origine, verzoeker om internationale bescherming appellant, vertegenwoordigd door meester , kantoor houdende te , , waar keuze van woonplaats wordt gedaan Het arbeidshof te Brussel spreekt het volgend arrest uit Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder op: - het voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikking van de voorzitter van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel, gegeven op 8 december 2022, (Rolnummer Eenzijdige Verzoekschriften 22/234/K) - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie op 15 december 2022., - de voorgelegde stukken. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING 1. De heer ZZ is afkomstig uit Palestina. Hij stelt dat hij België is binnengekomen op 18 november 2022. Hij diende op 25 november 2022 een verzoek om internationale bescherming in. Zijn aanvraag wordt nog onderzocht. Hij zet uiteen dat hij die dag niet de mogelijkheid kreeg om bij de dienst Dispatching van Fedasil langs te gaan om een opvangplaats toegewezen te krijgen. Er werd hem mondeling meegedeeld dat dit niet mogelijk was en dat hij verzocht werd om te vertrekken. Appellant ging de dagen daarna nog enkele keren langs bij het Klein Kasteeltje om te horen of er intussen wel een opvangplaats beschikbaar was aangezien hij geen alternatieve plaats heeft om te verblijven. Hij verblijft sinds 25.11.2022 tot heden op straat. Op 01.12.2022 consulteerde hij een advocaat, die Fedasil diezelfde dag per e-mail in gebreke stelde om een opvangplaats toe te kennen, als volgt: “lk wordt vandaag geconsulteerd door de heer ZZ, RR van Palestijnse nationaliteit, geboren op te , gekend bij Dienst Vreemdelingenzaken onder ov-nummer . Mijn cliënt diende 25.11.2022 een verzoek om internationale bescherming in (zie bijlage). Hij kreeg daarna niet de mogelijkheid om zich naar de dispatching van Fedasil te begeven. Mijn cliënt heeft zich meerdere keren aangemeld in de hoop een opvangplaats toegewezen te krijgen maar hij kreeg nooit toegang tot de Dienst Dispatching, zodat hij zelfs niet eens in het bezit is van een beslissing van uw diensten. Laatste keer werd hem mondeling meegedeeld dat hij een advocaat moest raadplegen. Mijn cliënt heeft momenteel geen opvangplaats en verblijft noodgedwongen op str aat. Dit is kennelijk in strijd met de artikelen 3 en 6 van de Opvangwet, aangezien hij een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Art. 10 en 11 van de Opvangwet van 12.01.2007 verplichten uw diensten om hem een verplichte plaats van inschrijving toe te kennen. lk stel uw diensten dan ook in gebreke om aan mijn cliënt een opvangplaats toe te wijzen, en mij per kerende te bevestigen dat mijn cliënt zich hiertoe kan aanmelden bij uw diensten. Bij gebreke daaraan zal mijn cliënt genoodzaakt zijn om een opvangplaats af te dwingen via een gerechtelijke procedure.” Deze ingebrekestelling werd niet beantwoord. Appellant verblijft nog steeds op straat. Hij legde een eenzijdig verzoekschrift neer bij de voorzitter van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel om - Fedasil te horen veroordelen hem een opvangplaats toe te kennen, - Bij gebreke daaraan te voldoen binnen de 48 uur na betekening van de tussen te komen beslissing te zeggen voor recht dat het tussen te komen beschikking zal gelden als beslissing tot opheffing of niet toewijzing van de code 207, zodat appellant zich kan aanmelden bij het OCMW van de plaats van zijn inschrijving, en dit tot op het moment waarop Fedasil hem een plaats in het opvangnetwerk aanbiedt; De Voorzitter van de arbeidsrechtbank verklaarde de vordering toelaatbaar en (gedeeltelijk) gegrond en oordeelde als volgt: “De voorzitter veroordeelt FEDASIL tot toekenning van de volledige materiële hulp zoals bepaald in artikel 2, 6° van de Opvangwet aan de verzoeker: • met onmiddellijke ingang • onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 euro per dag dat de verzoeker niet wordt opgevangen, vanaf de tweede werkdag na de dag waarop deze beschikking wordt betekend • onder voorbehoud van een wijziging in het administratieve verblijfsstatuut van de verzoeker. De voorzitter verleent aan de verzoeker het voordeel...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT