Arrêt Nº252053 de Conseil du Contentieux des Etrangers, 31/03/2021

CourtIIde KAMER (Raad voor Vreemdelingengeschillen)
Writing for the CourtVERMANDER N.
Judgment Date31 mar. 2021
Procedure TypeAnnulation
Judgement Number252053
X Pagina 1
nr. 252 053 van 31 maart 2021
in de zaak RvV X / II
In zake:
X
Gekozen woonplaats:
ten kantore van advocaat R. JESPERS
Broederminstraat 38
2018 ANTWERPEN
tegen:
de Belgische staat, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris voor Asiel en
Migratie.
DE WND. VOORZITTER VAN DE IIde KAMER,
Gezien het verzoekschrift dat X, die verklaart van Marokkaanse nationaliteit te zijn, op
28 december 2020 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de
gemachtigde van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie van 10 november 2020 waarbij de aanvraag
om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de
toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
onontvankelijk wordt verklaard.
Gezien titel I bis, hoofdstuk 2, afdeling IV, onderafdeling 2, van de wet van 15 december 1980
betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen.
Gezien de nota met opmerkingen en het administratief dossier.
Gelet op de beschikking van 26 januari 2021, waarbij de terechtzitting wordt bepaald op
26 februari 2021.
Gehoord het verslag van rechter in vreemdelingenzaken N. VERMANDER.
Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat R. JESPERS verschijnt voor
de verzoekende partij, en van advocaat L. BRACKE, die loco advocaten C. DECORDIER & T.
BRICOUT verschijnt voor de verwerende partij.
WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
1. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak
1.1. Op 10 januari 2020 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot verblijf op grond
van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het
verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet).
X Pagina 2
1.2. Op 14 juli 2020 en op 9 november 2020 actualiseert de verzoekende partij haar aanvraag vermeld
in punt 1.1.
1.3. Op 10 november 2020 neemt de gemachtigde van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie een
beslissing waarbij de aanvraag vermeld in punt 1.1. onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de bestreden
beslissing waarvan de motieven luiden als volgt:
Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die op datum van 10.01.2020 werd
ingediend en op data van 14.07.2020 en 09.11.2020 werd geactualiseerd door :
(…)
in toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij artikel 4 van
de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980, deel ik u mee dat dit
verzoek onontvankelijk is.
Redenen:
De aangehaalde elementen vormen geen buitengewone omstandigheid waarom de betrokkene de
aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de
diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het
buitenland.
Betrokkene beroept zich op de zogenaamde ‘omzendbrief Turtelboom’. Echter deze omzendbrief werd
integraal overgenomen door de instructies Wathelet. We merken echter op dat deze vernietigd werd
door de Raad van State (RvS arrest 198.769 van 09.12.2009 en arrest 215.571 van 05.10.2011).
Bijgevolg zijn de criteria van deze instructie niet meer van toepassing.
Betrokkene beweert dat hij zich in buitengewone omstandigheden zou bevinden omdat hij alhier een
langdurig verblijf in België zou hebben. Hieromtrent dienen wij te stellen dat dit niet aanvaard kan
worden als een buitengewone omstandigheid. Betrokkene beweert alhier sinds 2002 te verblijven.
Echter, betrokkene heeft zich al die tijd bewust genesteld in illegaal verblijf. Bovendien werd hem op
29.02.2012 en op 29.03.2013 een bevel om het grondgebied te verlaten betekend. Het principe wordt
gehanteerd dat betrokkene in eerste instantie de verplichting had om zelf gevolg te geven aan het bevel
om het grondgebied te verlaten. Betrokkene diende alles in het werk te stellen om aan zijn wettelijke
verplichting om het land te verlaten te voldoen en bijgevolg diende hij in de eerste plaats zelf alle
stappen te ondernemen om rechtstreeks of via een derde land naar zijn herkomstland terug te keren of
naar een land waar hij kan verblijven. De bewering dat hij alhier langdurig zou verblijven kan dus niet
aanvaard worden als buitengewone omstandigheid daar betrokkene zelf verantwoordelijk is voor deze
situatie. Artikel 9bis van de Vreemdelingenwet bevat geen bepaling die het bestuur zou verbieden om
rekening te houden met het feit dat de aanvrager er zelf voor heeft gekozen zich te nestelen in illegaal
verblijf nadat deze reeds een bevel om het grondgebied te verlaten had ontvangen (RvS 23 mei 2018,
nr. 241.566; RvS 27 september 2016, nr. 235.858, RVV, arrest 230001 van 9 december 2019).
Betrokkene beroept zich op het feit dat zijn broers en zussen allen in Europa woonachtig zouden zijn.
Echter, het gaat hier om een loutere bewering die niet gestaafd wordt door enig begin van bew ijs.
Betrokkene legt geen enkel stuk voor dat betrekking heeft op eventuele broers of zussen. Een loutere
bewering is onvoldoende om aanvaard te worden als buitengewone omstandigheid. Het is aan
betrokkene om zijn beweringen te staven met minstens een begin van bewijs.
Betrokkene beroept zich op het feit dat hij geen enkel belang meer zou hebben in Marokko daar zijn
gehele hechte familie in België of althans in Europa zou verblijven. De band met zijn land van herkomst
zou bijgevolg de facto niet meer reëel zijn. Hij zou er niet over een netwerk beschikken om naar terug te
keren. Echter, zoals hierboven reeds opgemerkt toont betrokkene op geen enkele wijze aan dat zijn hele
hechte familie zich in België of in Europa zou bevinden. Ook zijn bewering dat hij sinds 1998 in Europa
zou verblijven, wordt niet ondersteund door enig bewijs. Het is een loutere bewering die op geen enkele
manier gestaafd wordt. Bij huidige aanvraag 9bis legt betrokkene geen enkel stuk voor dat betrekking
heeft op eventuele familieleden in België of elders in Europa. Uit de voorgelegde stukken bij huidige
aanvraag kan niet afgeleid worden dat betrokkene gesteund wordt door familieleden. Het lijkt dan ook
erg onwaarschijnlijk dat betrokkene geen familie, vrienden of kennissen meer zou hebben in het land
van herkomst waar hij voor korte tijd zou kunnen verblijven in afwachting van een beslissing in het kader

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT