Vonnis van Raad van State, 23 juni 2020

Datum uitspraak:23 juni 2020
Jurisdictie:Cassatie
Nature:Arrest
SAMENVATTING

In zoverre het middel de miskenning van de aan de RvVb voorgelegde akten aanvoert en het de RvS ertoe verplicht om na te gaan of die akten het bewijs van een feit bevatten, is het onontvankelijk.

 
GRATIS UITTREKSEL

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

A R R E S T

nr. 247.862 van 23 juni 2020 in de zaak A. 229.188/VII-40.642

In zake : Karin VAN MECHELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD

VAN VLAAMS-BRABANT

-------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 23 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-1316 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 13 augustus 2019 in de zaak 1718-RvVb-0092-A.

    II. Verloop van de rechtspleging

  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 10 oktober 2019.

    De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

    VII-40.642-1/8

    Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.

    Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend.

    De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 juni 2020, om 15 uur.

    Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

    Advocaat Ellen Voortmans, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor verzoekster, is gehoord.

    Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

    Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

    III. Feiten

    3.1. Met een besluit van 3 augustus 2017 weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning te verlenen aan verzoekster “voor het herbouwen van een woning”.

    3.2. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van verzoekster tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie.

    VII-40.642-2/8

    IV. Onderzoek van het middel

    Uiteenzetting van het middel

  3. Verzoekster voert de schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

    Zij licht toe dat zij in het middel voor de RvVb “omstandig [heeft] aangetoond dat het de iure niet relevant is of er nu domiciliëring is geweest of niet. Het enige wat telt is feitelijke permanente bewoning. Daarbij heeft verzoekende partij tevens aangetoond dat ook de verwijzing door [de deputatie] naar de historiek van aanvragen van het gebouw en naar de constructiewijze en het voorkomen van het gebouw evenmin enige juridische relevantie vertoont aangezien voor de toepassing van artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het deelRUP het enkel van belang is dat er een bewijs van permanente bewoning van vóór 1984 voorligt, wat verzoekende partij had aangetoond aan de hand van getuigenissen. [...] Om het middel...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT