Vonnis van Raad van State, 22 oktober 2019

Datum uitspraak:22 oktober 2019
Jurisdictie:Nietigverklaring
Nature:Arrest
SAMENVATTING

Op de hoorzitting in graad van administratief beroep was verzoeker door zijn raadsman vertegenwoordigd, die een verweernota voor hem heeft neergelegd. Het enkele feit dat verzoeker niet persoonlijk op de hoorzitting kon aanwezig zijn, maakt geen schending van het hoorrecht of de rechten van verdediging uit. Verzoeker heeft tegen de beslissing tot bevestiging van de administratieve geldboete... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER A R R E S T nr. 245.838 van 22 oktober 2019 in de zaak A. 221.042/X-16.816. In zake : Karel ROLUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Barbara Van Eeckhoudt kantoor houdend te 1082 Brussel Zelliksesteenweg 12/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Evrard De Lophem en Tinne Wouters kantoor houdend te 1050 BrusselFlageyplein 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 22 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, departement Brussel Stedelijke Ontwikkeling, afdeling Advies en Beroep van 25 oktober 2016 waarmee zij […] het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de Leidend ambtenaar van de Directie gewestelijke Huisvestingsinspectie [hierna: DGHI] van 12 september 2016 ontvankelijk, doch ongegrond verklaart en de geldboete ten bedrage van 10.650,00 EUR bevestigt”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. nr. 237.486 van 24 februari 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-16.816-1/11 ‡CCKTJFACA-BDJBFGV‡

Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2019. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jasmien Foré, die loco advocaat Barbara Van Eeckhoudt verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tinne Wouters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Wat de uiteenzetting van de feiten betreft, wordt verwezen naar ‟s Raads arrest nr. 237.486 van 24 februari 2017. X-16.816-2/11 ‡CCKTJFACA-BDJBFGV‡

IV. Onderzoek van het enige middel

Uiteenzetting van het enige middel 4.1. Verzoeker roept in een enig middel de schending in van het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel en het recht van verdediging als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 4.1.1. In een eerste middelonderdeel betoogt hij dat zijn rechten van verdediging geschonden zijn, nu hij niet persoonlijk gehoord werd. Verzoeker zet uiteen dat hij omwille van een verblijf in het buitenland zijn argumentatie niet uiteen heeft kunnen zetten en dat hij op de laatste zitting (in graad van beroep) noodgedwongen door zijn raadsman vertegenwoordigd was. Zijn argumenten werden zeer summier uiteengezet in het aangetekend schrijven van 23 september 2016 alsook in de nota neergelegd ter zitting van 21 oktober 2016, doch hij wenste persoonlijk zijn standpunten en argumenten uiteen te zetten. Door het verblijf in het buitenland heeft hij niet alle documenten ter staving van de gegrondheid van zijn beroep aan zijn raadsman kunnen meedelen. Op zijn vraag om de hoorzitting uit te stellen werd niet ingegaan, ook al had hij voorgesteld om afstand te doen van artikel 10 § 3, tweede lid, van de ordonnantie van 17 juli 2003 „houdende de Brusselse Huisvestingscode‟, dat bepaalt dat de administratieve geldboete vervalt indien er binnen de 30 dagen na ontvangst van het beroep geen uitspraak wordt gedaan. Verzoeker stelt dat hij onmogelijk aanwezig kon zijn op de hoorzitting van 23 augustus 2016 aangezien hij de oproeping nooit heeft ontvangen. 4.1.2. In een tweede middelonderdeel stelt verzoeker dat het motiveringsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel geschonden zijn. Hij wijst er in dit verband op dat hij verzocht heeft om de geldboete tot een minimum te...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT