Vonnis van Raad van State, February 19, 2019

Datum uitspraak:2019/02/19
Jurisdictie:UDN
Nature:Arrest
SAMENVATTING

De verwerende partij beperkt de vraag of zij inzake de vaststelling van representativiteit van de verzoekende partij slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt, tot de (naleving van de) termijn die voorgeschreven wordt door art. 9, tweede lid, van het KB van 8 februari 2001 inzake het indienen van een aanvraag. Die zienswijze lijkt echter al te beperkt. Daargelaten nog dat de verzoekende... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

A R R E S T

nr. 243.756 van 19 februari 2019 in de zaak A. 227.403/XIV-37.945

In zake: de VZW NATIONAAL SYNDICAAT VAN HET

POLITIE- EN VEILIGHEIDSPERSONEEL (NSPV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joos Roets en Stefan Sottiaux kantoor houdend te 2018 Antwerpen

Oostenstraat 38 bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 13 februari 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 februari 2019 waarbij werd geoordeeld dat de aanvraag van de NSPV tot vaststelling van de representativiteit als vakorganisatie niet binnen de reglementair bepaalde termijnen werd ingediend, en bijgevolg werd besloten dat niet voldaan werd aan de wettelijk en reglementair voorgeschreven voorwaarden om als representatieve vakorganisatie te worden beschouwd, en haar status wordt omschreven als een erkende (niet representatieve) vakorganisatie. .

XIV-37.945- 1/24

‡BJCTPEBEH-BDGFDCV‡

II. Verloop van de rechtspleging

  1. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

    De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 februari 2019, om 14.00 uur.

    Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.

    Advocaat Matthias Hertegonne die, loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Joos Roets en Thomas Van Diest, die loco advocaat Stefan Sottiaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

    Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

    Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

    III. Feiten

    3.1. Het Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel VZW (hierna: het NSPV) is een erkende representatieve vakorganisatie in de zin van de wet van 24 maart 1999 „tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten‟ (hierna: de wet van 24 maart 1999).

    De voorwaarden voor het verkrijgen en het behouden van de „representativiteit‟ worden bepaald in artikel 12 (iuncto artikel 6, tweede lid), van

    XIV-37.945- 2/24

    ‡BJCTPEBEH-BDGFDCV‡

    de wet van 24 maart 1999. Aan artikel 12 van de wet van 24 maart 1999 werd uitvoering gegeven door (de artikelen 8 en 9) het koninklijk besluit van 8 februari 2001 „tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten‟ (hierna: het koninklijk besluit van 8 februari 2001).

    3.2. Begin februari 2019 wordt de voorzitter van het NSPV er door een vertegenwoordiger van de minister van Binnenlandse Zaken op attent gemaakt dat het NSPV “vergeten” was een aanvraag in te dienen voor het behoud van haar “representativiteit”.

    3.3. Op 7 februari 2019 richt het NSPV dan een e-mail aan de „Administratief-expert - Secretarie van de Controlecommissie voor Vakbondspremies en de Representativiteit in de Overheidssector‟ met de vraag naar instructies betreffende de noodzaak van het indienen van een nieuwe aanvraag tot representativiteit van de vakorganisatie.

    3.4. Bij e-mail van 8 februari 2019 neemt de Kanselarij van de Eerste Minister het volgende standpunt in:

    “Aansluitend bij uw mail van donderdag 7 februari 2019 en ons telefonisch onderhoud van deze morgen, melden wij u ook via deze weg dat uw vakbondsorganisatie, op grond van artikel 8 van het K.B. van 8 februari 2001, een officiële vraag tot vaststelling van haar representativiteit diende te richten aan de Minister van Binnenlandse Zaken en dit binnen de eerste 30 dagen van de in artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart 1999 bedoelde periode van 6 jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2001, bij een ter post aangetekende brief.

    Daar de vorige zesjarige periode ten einde liep op 31 december 2018, diende de aanvraag dus te gebeuren tijdens de maand januari 2019.

    Artikel 9, tweede lid, van het K.B. van 8 februari 2001 stelt dat een kandiderende vakbondsorganisatie niet in aanmerking komt voor het representativiteitsonderzoek wanneer de aanvraag te laat werd ingediend.

    Zoals tijdens ons telefoongesprek ook reeds werd aangehaald, bent u, rekening houdende met de periode van lopende zaken, vrij om de betrokken Minister al dan niet aan te schrijven.

    Indien u nog bijkomende vragen zou hebben, mag u ons altijd contacteren.”

    XIV-37.945- 3/24

    ‡BJCTPEBEH-BDGFDCV‡

    3.5. Op 9 februari 2019 richt het NSPV per e-mail een schrijven aan de ATS/SAT Binnenlandse Zaken waarbij wordt geargumenteerd dat de dubbelzinnigheid van de reglementering heeft geleid tot de opvatting dat het NSPV een aanvraag voor het behoud van de representativiteit kon indienen tot 1 juli 2020, zich daarbij steunend op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 2 juli 2014 van de vorige lijst van erkende representatieve vakorganisaties. Bij dit schrijven wordt tevens een aanvraag tot nieuw onderzoek in de zin van artikel 12, § 2 van de wet van 24 maart 1999 gevoegd.

    3.6. Per e-mail van 10 februari 2019 antwoordt de directeur-generaal ATS Binnenlandse Zaken dat de minister de niet-representativiteit van het NSPV heeft vastgesteld aangezien de aanvraag niet binnen de reglementair voorgeschreven termijn werd ingediend.

    3.7. Met een schrijven van 11 februari 2019 deelt de minister van Binnenlandse Zaken de voorzitter van het NSPV het volgende mee:

    “Geachte Voorzitter,

    Middels dit schrijven breng ik u ter kennis dat het Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel (NSPV) zijn aanvraag tot vaststelling van zijn representativiteit, welke om de zes jaar dient onderzocht te worden, niet binnen de reglementair bepaalde termijnen heeft ingediend.

    Derhalve is de overheid ertoe genoodzaakt te besluiten dat niet is voldaan aan de wettelijk en reglementair voorgeschreven voorwaarden om als representatieve vakorganisatie te worden beschouwd 1.

    Dit impliceert dat het NSPV optreedt als erkende vakorganisatie met de hieraan verbonden prerogatieven.

  2. Wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten (inzonderheid art. 12, §1) en koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten (inzonderheid art.8-9).”

    Dit is de bestreden beslissing.

    3.8. De directeur-generaal ATS Binnenlandse Zaken deelt deze beslissing ook mee aan de Vaste Commissie van de Lokale Politie die dit per e-mail van 12 februari 2019 ter kennis brengt aan alle korpschefs van de lokale politiezones, en daarbij onder meer het volgende stelt:

    XIV-37.945- 4/24

    ‡BJCTPEBEH-BDGFDCV‡

    “Hieronder kan u de communicatie van het ATS Binnenlandse zaken aangaande de representativiteit van het NSPV vinden.

    Deze situatie impliceert dat er gevolgen kunnen zijn binnen uw zone, zo maakt het NSPV o.a.: • Geen deel meer uit van de lokale BOC • Geen deel meer uit van verschillende commissies (bvb groene-lichten-procedure,) • Geen waarnemer meer bij selectieproceduregesprekken • Etc.”

    Tevens heeft de Directeur-generaal ATS Binnenlandse Zaken aan de voorzitter van het NSPV per e-mail van 13 februari 2019 bevestigd dat het NSPV haar 12 „permanente afgevaardigden‟ per 1 maart 2019 verliest.

    3.9. De verzoekende partij voegt bij haar verzoekschrift brieven van zes van haar leden die op 12 februari 2019 hun lidmaatschap bij NSPV opzeggen, waarbij deze brieven, met hoofding „ACV Openbare Diensten Politie‟ “in opdracht” ondertekend worden zonder dat de ondertekenaar geïdentificeerd kan worden (waarbij het wel zes keer dezelfde handtekening is).

    IV. Rechtsmacht van de Raad van State

    Exceptie

    4. Volgens de nota van de verwerende partij is de Raad van State zonder rechtsmacht omdat de bestreden beslissing genomen werd op grond van een louter gebonden bevoegdheid, zonder dat de verwerende partij over enige discretionaire bevoegdheid beschikte. De verwerende partij verwijst daartoe naar artikel 9, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 dat bepaalt: “[w]ordt de aanvraag te laat ingediend, dan komt de kandiderende vakorganisatie niet in aanmerking voor het onderzoek naar haar representativiteit.” De minister kon enkel nagaan of het NSPV haar aanvraag binnen de reglementaire termijn heeft ingediend zodat zijn bevoegdheid strikt gebonden is. NSPV maakt, van zijn kant, aanspraak op een erkenning van haar subjectief recht op een vaststelling als representatieve vakorganisatie en de daaraan verbonden prerogatieven.

    XIV-37.945- 5/24

    ‡BJCTPEBEH-BDGFDCV‡

    Beoordeling

    5. De verwerende partij steunt haar exceptie van het gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State uitsluitend op de vaststelling dat de aanvraag van de verzoekende partij te laat werd ingediend, en dat artikel 9, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 “glashelder” bepaalt dat in dat geval de aanvraag niet in aanmerking komt voor onderzoek.

    De verwerende partij beperkt aldus de vraag of zij inzake de vaststelling van representativiteit van de verzoekende partij slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt, tot de (naleving van de) termijn die voorgeschreven wordt door artikel 9, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 inzake het indienen van een aanvraag. Die zienswijze lijkt echter al te beperkt. Daargelaten nog dat de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT