Vonnis van Raad van State, April 15, 2015

Datum uitspraak:2015/04/15
Jurisdictie:Andere
Nature:Arrest
SAMENVATTING

Anders dan de verzoeker.p. meent, is het bestreden arrest van de RvS niet gegrond op art. 33, 7°, b), van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu in zoverre het door het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 134\/2012 werd vernietigd, nu in het bestreden arrest geoordeeld wordt dat de kritiek van... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

A R R E S T

nr. 230.836 van 15 april 2015 in de zaak A. 209.021/X-15.469.

In zake : de GMBH EUROPEAN AIR TRANSPORT LEIPZIG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans, Philippe Malherbe en Tamara Leidgens kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten François Tulkens en Patrick Peeters kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen

-------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 29 mei 2013, strekt tot de intrekking van het arrest van de Raad van State nr. 219.901 van 21 juni 2012 waarbij het beroep tot nietigverklaring van de beslissing van 23 mei 2006 van het Milieucollege van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om aan de nv European Air Transport een administratieve geldboete op te leggen ten belope van 46.030 euro wegens inbreuken op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 27 mei 1999 ‘betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer’ wordt verworpen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

X-15.469-1/11

Auditeur Dieter Decock heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 maart 2015.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Frank Judo, die loco advocaten Dirk Lindemans en Philippe Malherbe verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Patrick Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Dieter Decock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten en regelgevend kader

3. Artikel 33, 7°, b), van de ten tijde van het bestreden arrest geldende ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 ‘betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu’ (hierna: de ordonnantie van 25 maart 1999), bepaalde wat volgt:

“De persoon die een van de volgende misdrijven pleegt, is strafbaar met een administratieve geldboete van 625 EUR tot 62 500 EUR :

[…] 7° in de zin van de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving, de persoon die :

X-15.469-2/11

[…]

  1. rechtstreeks of onrechtstreeks geluidshinder veroorzaakt of laat voortduren die de door de Regering gestelde normen overschrijdt;

[…].”

4. Bij arrest nr. 44/2011 van 30 maart 2011, gewezen op prejudiciële vragen gesteld door de Raad van State, heeft het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de voormelde bepaling voor recht gezegd:

“Artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu, zoals gewijzigd bij artikel 10 van de ordonnantie van 28 juni 2001, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet toelaat rekening te houden met verzachtende omstandigheden die het mogelijk maken een geldboete op te leggen die lager is dan het daarin vastgelegde minimumbedrag van de geldboete.”

5. Bij verzoekschrift van 24 juli 2006 vordert de verzoekende partij de nietigverklaring van het besluit van het Milieucollege van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 mei 2006 waarbij het beroep, ingediend tegen de beslissing van de leidend ambtenaar van het Brussels Instituut voor Milieubeheer van 27 januari 2006 houdende het opleggen van een administratieve geldboete ten belope van 46.030 euro, ongegrond wordt verklaard en de beroepen geldboete wordt bevestigd.

Bij het bestreden arrest nr. 219.901 van 21 juni 2012 verwerpt de Raad van State het voormelde annulatieberoep. Aangaande het achtste middel wordt in het voormelde arrest het volgende overwogen:

“69. Artikel 33 van de ordonnantie van 25 maart 1999 stelt de persoon die rechtstreeks of onrechtstreeks geluidshinder veroorzaakt of laat voortduren die de door de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT