Vonnis van Raad van State, 7 februari 1995

Datum uitspraak: 7 februari 1995
Jurisdictie:Nietigverklaring
Nature:Prejudiciële vraag
SAMENVATTING

Prejudiciële vragen omtrent uitlegging verordening (EEG) nr. 926\/80 van de Commissie van 15 april 1980.Vragen zijn gerezen in geding tussen n.v. ANDRE en Belgische Staat, betreffende de vrijstelling van monetaire compenserende bedragen. N.v. ANDRE had, overeenkomstig verordening nr. 926\/80, een vrijstelling van monetaire compenserende bedragen gevraagd i.v.m. uitvoer van bepaalde hoeveelheid... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE

A R R E S T nr. 51.569 van 7 februari 1995 in de zaken A. 34.006/IV-11.459

35.504/IV-11.893.

In zake : de n.v. ANDRE en C , die woonplaats kiest bij Advocaten J. STEENBERGEN en F. DE VISSCHER, kantoor houdende te BRUSSEL,

Tervurenlaan 268A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken.

D E

R A A D

V A N

S T A T E, IVe

K A M E R,

Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ANDRE en C op 10 januari 1986 heeft ingediend om de ver- nietiging te vorderen van de beslissing van 14 november 1985 van de Centrale Dienst voor Contingen- ten en Vergunningen (C.D.C.V.), waarbij aan de verzoe- kende partij het voordeel wordt geweigerd van de toe- passing van de verordening 1063/82 van de E.E.G.-commis- sie van 5 mei 1982;

Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ANDRE en C op 21 januari 1987 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 24 november 1986 van de Centrale Dienst voor Con- tingenten en Vergunningen (C.D.C.V.), waarbij aan de verzoekende partij het voordeel wordt geweigerd van de toepassing van de billijkheidsverordening 926/80 van de E.E.G.-commissie van 15 april 1980;

Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord;G e l e t o p d e b e s c h i k k i n g v a n 2 8 a u g u s t u s 1 9 9 0 , w a a r b i j d e z a k e n nrs. A. 34.006/IV-11.459 en 35.504/IV-11.893 worden ge- voegd;

Gezien het verslag over de zaken opgemaakt door Adjunct-auditeur E. LANCKSWEERDT;

G e l e t o p d e b e s c h i k k i n g v a n 13 september 1990 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast;

Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories;

Gelet op de beschikking van 19 oktober 1994, waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 1994;

Gehoord het verslag van Staatsraad M.-R. BRACKE;

Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. STEENBERGEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij;

Gehoord het advies van Auditeur E. LANCKSWEERDT;

Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;1. Over de gegevens van de zaken.

Overwegende dat de gegevens van de zaken kunnen worden samengevat als volgt :

1.1.

Tussen 15 januari en 2 februari 1982 sluit de verzoekende partij acht verkoopcontracten voor granen bestemd voor export.

De kopers zijn buitenlandse firma's, vooral Nederlandse en Franse, met zetel in het buitenland. De leveringen van die granen hebben plaats tussen maart en juli 1982. Eventuele monetaire compen- serende bedragen (m.c.b.'s), geheven naar aanleiding van de uitvoertransactie, zouden luidens de verkoop- contracten ten laste van de verkoper, dus de verzoekende partij, vallen.

1.2.

Eveneens in januari en begin februari 1982 sluit de verzoekende partij acht aankoopcontracten die dezelfde soort en hoeveelheid granen als voorwerp hebben. Drie andere aankoopcontracten dateren van april en mei 1982. De koper is telkens de verzoekende partij, de verkopers zijn firma's met zetel in België. De leve- ringen van die granen zijn voorzien tussen februari en juli 1982. Het betreft buitenlandse granen die worden ingevoerd.

De invoer gebeurt door genoemde Belgische firma's, die de partijen granen dan zullen doorverkopen aan de verzoekende partij, opdat deze zelf de granen zou kunnen leveren aan de buitenlandse firma's waarmee een verkoopcontract werd gesloten.

Tussen de invoer en de uitvoer van de granen ligt minder dan zes maanden; alle in- en uitvoertransac- ties grijpen plaats tussen de E.E.G.-landen.

1.3.

Op 21 februari 1982 wordt de Belgische frank gedevalueerd.

1.4.

Op 25 februari 1982 zendt de verzoekende partij aan de C.D.C.V. van het Ministerie van Econo-mische Zaken vijftien verkoopcontracten ter registratie, en tevens wordt een aanvraag tot vrijstelling van m.c.b.'s ingediend -op basis van de "billijkheids- verordening" 926/80- voor acht van die contracten.

1.5.

Op 1 juni 1983 antwoordt de C.D.C.V. dat ook de aankoopcontracten en de erop betrekking hebbende aankoopfacturen moeten worden bezorgd om hem in de moge- lijkheid te stellen het dossier verder af te handelen.

Op 3 juni 1983 stuurt de verzoekende partij aan de C.D.C.V. de gevraagde stukken.

1.6.

Op 23 mei 1985 laat de C.D.C.V.

aan de verzoekende partij weten dat de toepassing van de "billijkheidsverordening"

926/80 geweigerd wordt.

De C.D.C.V. stelde op basis van de contracten en facturen vast dat de goederen "ingeklaard in België" gekocht werden, om vervolgens te worden uitgevoerd. De C.D.C.V.

won advies in bij de E.E.G.-commissie, en deze stelde dat de door de verzoekende partij aangevraagde vrijstel- ling van m.c.b.'s onmogelijk toegekend kon worden en zulks op basis van artikel 8 van de verordening 926/80.

Op grond van dit alles is de C.D.C.V. van oordeel dat de afrekeningen voor de bewuste contracten moeten worden opgesteld en toegezonden. Daarmee beschouwt de C.D.C.V.

de behandeling van het dossier als afgesloten, en worden de originele...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT