Vonnis/arrest, Hof van Cassatie van België, 2022-12-20

JurisdictionBélgica
CourtHof van Cassatie van België
Judgment Date20 décembre 2022
ECLIECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.23
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.23
Docket NumberP.22.1096.N
Nr. P.22.1096.N I-VIII S H beschuldigde, aangehouden eiser vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, alsook met als raadsman mr. Dimitri de Béco, advocaat bij de balie Brussel IX-XII M T, beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jonathan Bogaerts, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen 1. S L, 2. E A, 3. M A, 4. P A, 5. L A, 6. A A, 7. A R A, 8. A S A, 9. R-F G, 10. A A, 11. D S, 12. C B, burgerlijke partijen, verweerders, XIII-XIV N P, beschuldigde, aangehouden, eiser. XV-XVII D H, beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest nr. 21/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 3 mei 2022 tot het aanstellen van plaatsvervangende juryleden (hierna het arrest III). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest nr. 14/2022 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Limburg van 31 maart 2022 (hierna het arrest I). Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest nr. 20/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 3 mei 2022 over de vrijstellingen (hierna het arrest II). Het cassatieberoep IV is gericht tegen het arrest nr. 25/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 9 mei 2022 tot vervanging van een jurylid (hierna arrest IV). De cassatieberoepen V, IX en XVI zijn gericht tegen het arrest nr. 26/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 1 juni 2022 tot het stellen van bijkomende vragen aan de jury (hierna arrest V). De cassatieberoepen VI, X, XIII en XV zijn gericht tegen het arrest nr. 27/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 1 juni 2022 over de motivering van de schuldigverklaring van de eisers (hierna het arrest VI). De cassatieberoepen VII en XI zijn gericht tegen het arrest nr. 28/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 2 juni 2022 dat oordeelt over de aangevoerde miskenning van het recht van verdediging (hierna het arrest VII). De cassatieberoepen VIII, XII, XIV en XVII zijn gericht tegen het arrest nr. 29/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 3 juni 2022, dat de eisers tot straf veroordeelt (hierna het arrest VIII). De eiser I-VIII voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser IX-XII voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers XIII-XIV en XV-XVII voeren geen middel aan. Op 28 november 2022 heeft advocaat-generaal Alain Winants een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 6 december 2022 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. De raadsman van de eiser IX-XII heeft op 9 december 2022 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. De raadsman van de eiser I-VIII heeft op 16 december 2022 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Overeenkomstig artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering wordt de verklaring van cassatieberoep in de regel gedaan door een advocaat die houder moet zijn van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures. 2. De cassatieberoepen, die de eiser XIII-XIV zelf heeft ingesteld vanuit de gevangenis, zijn niet ontvankelijk. 3. De cassatieberoepen IX, X, XI en XII zijn niet gericht tegen beslissingen over de burgerlijke rechtsvorderingen en zijn bijgevolg niet ontvankelijk in zoverre zij gericht zijn tegen de verweerders. Eerste middel van de eiser I 4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 323, 329bis, eerste lid, 329quater, tweede lid, en 334, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest VI laat de vragen met betrekking tot de telastlegging D onbeantwoord zonder daarvoor een reden op te geven; die vragen vereisen nochtans een principale hoofdvraag en zij moesten dus gemotiveerd worden beantwoord; mede gelet op het nauwe verband tussen de telastleggingen C en...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT