Jugement/arrêt, Cour constitutionnelle (Cour d'arbitrage), 2021-04-22

CourtCour constitutionnelle (Cour d'arbitrage)
Judgment Date22 avril 2021
ECLIECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210422.4
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210422.4
Docket Number57/2021
Rolnummers 6590, 6597, 6599 en 6601
Arrest nr. 57/2021
van 22 april 2021
A R R E S T
__________
In zake : de beroepen tot vernietiging van de wet van 29 mei 2016 « betreffende het
verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie »,
ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », door de
vzw « Académie Fiscale » en Jean Pierre Riquet, door de vzw « Liga voor Mensenrechten » en
de vzw « Ligue des Droits de l’Homme » en door Patrick Van Assche en anderen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman,
T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques en Y. Kherbache,
bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût,
wijst na beraad het volgende arrest :
*
* *
2
I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging
a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 januari 2017 ter post
aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 januari 2017, heeft de « Ordre des barreaux
francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Lemmens en
Mr. J.-F. Henrotte, advocaten bij de balie te Luik, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet
van 29 mei 2016 « betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van
de elektronische communicatie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 juli 2016).
b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 januari 2017 ter post
aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 januari 2017, is beroep tot vernietiging
ingesteld van dezelfde wet door de vzw « Académie Fiscale » en Jean Pierre Riquet.
c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 januari 2017 ter post
aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 januari 2017, is beroep tot vernietiging
ingesteld van dezelfde wet door de vzw « Liga voor Mensenrechten », bijgestaan en
vertegenwoordigd door Mr. J. Vander Velpen, advocaat bij de balie van Antwerpen, en de
vzw « Ligue des Droits de l’Homme », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Jespers,
avocaat bij de balie van Antwerpen.
d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 januari 2017 ter post
aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 januari 2017, is beroep tot vernietiging
ingesteld van dezelfde wet door Patrick Van Assche, Christel Van Akeleyen en
Karina De Hoog, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Pattyn, advocaat bij de balie van
West-Vlaanderen.
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6590, 6597, 6599 en 6601 van de rol van het
Hof, werden samengevoegd.
Bij tussenarrest nr. 96/2018 van 19 juli 2018, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad
van 27 september 2018, heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van
Justitie van de Europese Unie :
« 1. Dient artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, in samenhang gelezen met het
recht op veiligheid, gewaarborgd bij artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de
Europese Unie, en het recht op eerbiediging van de persoonsgegevens, zoals gewaarborgd bij
de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in
die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die welke
in het geding is, die voorziet in een algemene verplichting voor de operatoren en aanbieders
van elektronische communicatiediensten om de verkeers- en locatiegegevens in de zin van de
richtlijn 2002/58/EG, die door hen worden gegenereerd of verwerkt in het kader van het
aanbieden van die diensten, te bewaren, nationale regeling die niet alleen ten doel heeft het
onderzoeken, opsporen en vervolgen van feiten van zware criminaliteit, maar ook het
waarborgen van de nationale veiligheid, de verdediging van het grondgebied en van de
openbare veiligheid, het onderzoeken, opsporen en vervolgen van andere feiten dan die van
zware criminaliteit of het voorkomen van een verboden gebruik van de elektronische
communicatiesystemen, of de verwezenlijking van een andere doelstelling die is geïdentificeerd
bij artikel 23, lid 1, van de Verordening (EU) 2016/679 en die bovendien onderworpen is aan
3
nader in die regeling opgenomen waarborgen op het vlak van de bewaring van de gegevens en
van de toegang ertoe ?
2. Dient artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, gelezen in samenhang met de
artikelen 4, 7, 8, 11 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die
welke in het geding is, die voorziet in een algemene verplichting voor de operatoren en
aanbieders van elektronische communicatiediensten om de verkeers- en locatiegegevens in de
zin van de richtlijn 2002/58/EG, die door hen worden gegenereerd of verwerkt in het kader van
het aanbieden van die diensten, te bewaren, indien die regeling mede tot doel heeft om de op
de overheid rustende positieve verplichtingen ingevolge de artikelen 4 en 8 van het Handvest
te bewerkstelligen om te voorzien in een wettelijk kader dat een effectief strafrechtelijk
onderzoek en een daadwerkelijke bestraffing van seksueel misbruik van minderjarigen
mogelijk maakt en het effectief mogelijk maakt om de pleger van het misdrijf te identificeren,
ook wanneer gebruik wordt gemaakt van elektronische communicatiemiddelen ?
3. Zou het Grondwettelijk Hof, indien het op grond van het antwoord verstrekt op de eerste
of de tweede prejudiciële vraag tot de conclusie zou komen dat de bestreden wet één of meer
van de uit de in die vragen vermelde bepalingen voortvloeiende verplichtingen schendt, de
gevolgen van de wet van 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de
gegevens in de sector van de elektronische communicatie tijdelijk kunnen handhaven teneinde
rechtsonzekerheid te voorkomen en het mogelijk te maken dat de voorheen verzamelde en
bewaarde gegevens alsnog kunnen gebruikt worden voor de door de wet beoogde
doeleinden ? ».
Bij arrest van 6 oktober 2020 in de zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18 heeft het Hof
van Justitie van de Europese Unie op de vragen geantwoord.
Bij beschikking van 21 oktober 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques
en T. Merckx-Van Goey te hebben behoord, beslist :
- de debatten te heropenen;
- de partijen uit te nodigen, in een uiterlijk op 23 november 2020 in te dienen aanvullende
memorie, waarvan ze binnen dezelfde termijn een kopie laten toekomen aan de andere partijen,
hun standpunt mee te delen ten aanzien van de weerslag van het voormelde arrest van het Hof
van Justitie van de Europese Unie op de thans voorliggende zaken;
- dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na
ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden
gehoord, en
- dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 25 november 2020
en de zaken in beraad zullen worden genomen.
Aanvullende memories zijn ingediend door :
- de verzoekende partij in de zaak nr. 6590;
- de verzoekende partijen in de zaak nr. 6599;

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT