Ministeriële omzendbrief betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de Internationale straftribunalen, de 30 novembre 2016

Artikel M.

1) Algemene overwegingen bij de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen

De wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking tussen België en de internationale straftribunalen (hierna "de wet" of "de wet van 29 maart 2004" genoemd) heeft tot doel de handelingen inzake samenwerking en wederzijdse rechtshulp te organiseren tussen enerzijds België en anderzijds het Internationaal Strafgerechtshof (hierna "het Hof" of "het ISH" genoemd), de Internationale Straftribunalen voor Rwanda en voormalig Joegoslavië (alsook het residueel mechanisme voor de uitoefening van de restbevoegdheden van voornoemde tribunalen na de sluiting ervan), het Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone (alsook het Residueel Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone voor de uitoefening van de restbevoegdheden van het Speciaal Tribunaal na de sluiting ervan op 31 december 2013), de bijzondere kamers in de rechtscolleges van Cambodja en het Speciaal Tribunaal voor Libanon.

In Titel I van de wet worden de bepalingen van het Statuut van Rome van het ISH (hierna "het Statuut van Rome", "het Statuut van het ISH" of "het Statuut" genoemd) met betrekking tot de samenwerking tussen de staten die partij zijn en het Hof in het nationaal recht opgenomen. Het eerste deel van de wet bestaat in de tenuitvoerlegging van de verplichtingen die de bekrachtiging van het Statuut op 28 juni 2000 voor België heeft teweeggebracht (1). Teneinde alle bepalingen betreffende de samenwerking tussen België en de internationale gerechten te bundelen, wordt de inhoud van de wet van 22 maart 1996 betreffende de erkenning van en de samenwerking met het Internationaal Tribunaal voor voormalig Joegoslavië en het Internationaal Tribunaal voor Ruanda door middel van Titel II en met bepaalde aanpassingen opgenomen in de wet (2).

De wet van 29 maart 2004 is in werking getreden de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, i.e. op 1 april 2004. Op dezelfde datum werd de wet van 22 maart 1996 tot regeling van de samenwerking met de internationale straftribunalen opgeheven. In artikel 57 van de wet is bepaald dat deze opheffing evenwel geen afbreuk doet aan de lopende samenwerkingshandelingen. Aangezien de wet een procedurewet is, is de nieuwe wetgeving van rechtstreekse toepassing. Zij regelt dus alle aangevatte proceshandelingen die bij de inwerkingtreding ervan nog niet afgerond zijn, zonder afbreuk te doen aan de handelingen die reeds werden verricht onder de gelding van de wet van 22 maart 1996 (3).

Op 1 juli 2006 werden twee nieuwe titels, de Titels V en VI, ingevoegd in de wet van 29 maart 2004 om de samenwerking van België met het Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone (4) en met de bijzondere kamers in de rechtscolleges van Cambodja te organiseren (5).

Tot slot werden krachtens de wet van 26 maart 2014 tot wijziging van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen (6) (hierna "de wet van 26 maart 2014" genoemd) verschillende wijzigingen aangebracht in de wet om tegemoet te komen aan drie specifieke doelstellingen (7).

Ten eerste werden in sommige bepalingen van de wet van 29 maart 2004 technische wijzigingen aangebracht teneinde de samenwerking van de Belgische autoriteiten met het ISH en de internationale straftribunalen te verbeteren, op grond van de lessen getrokken uit de toepassing van deze wet.

Ten tweede werden, teneinde rekening te houden met de voltooiing van de werkzaamheden van het Internationaal Straftribunaal voor voormalig Joegoslavië, het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda en het Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone, de nodige verwijzingen naar de instellingen belast met de uitoefening van de restbevoegdheden van die tribunalen ingevoegd in de wet.

Ten derde werd, tot slot, een nieuwe Titel VIbis betreffende de samenwerking van België met het Speciaal Tribunaal voor Libanon ingevoegd in de wet teneinde de samenwerking van België met dat Tribunaal, dat in 2007 was opgericht, te waarborgen (8).

Voornoemde wet van 26 maart 2014 is in werking getreden op 28 maart 2014, de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

De regels betreffende de samenwerking met elk van de internationale straftribunalen bedoeld in de wet worden hieronder achtereenvolgens besproken.

2) Samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof

2.1) Inleiding

2.1.1) Nationale wetgeving

De tenuitvoerlegging van het Statuut van Rome van het ISH heeft geleid tot de aanneming van twee wetten : de wet van 5 augustus 2003 (BS, 7 augustus 2003) houdende bepalingen over het zogenaamde "materieel recht" en de wet van 29 maart 2004 (BS, 1 april 2004) betreffende de samenwerking.

2.1.2) Aanvullende rol van het Internationaal Strafgerechtshof met betrekking tot de nationale gerechten

Het Statuut van Rome beoogt het instellen van een permanent hof belast met de bestraffing van de meest ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht door natuurlijke personen. Artikel 1 van het Statuut verduidelijkt dat het ISH complementair is met betrekking tot de nationale gerechten. Uit het subsidiaire karakter van het Hof volgt dat het Statuut de staten die partij zijn onrechtstreeks verzoekt hun nationaal recht aan te passen opdat hun strafgerechten bevoegd zouden zijn om kennis te nemen van de feiten die onder de bevoegdheid van het Hof zelf vallen. Het gaat om een logisch gevolg van de complementariteitsregel.

De wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht bevat de strafbaarstellingen van misdaden die onder de bevoegdheid van het Hof vallen en voorziet in de informatie van het ISH ingeval de Belgische gerechten de vermoedelijke dader van een misdaad niet vervolgen. Meer bepaald, ingeval het passieve personaliteitsbeginsel zoals bedoeld in punt 1° bis van artikel 10 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, zal de minister van Justitie, wanneer een zaak wordt geseponeerd omdat uit de concrete omstandigheden van de zaak blijkt dat zij hetzij voor een internationaal gerecht moet worden gebracht, hetzij voor het gerecht van de plaats waar de feiten werden gepleegd, hetzij voor het gerecht van de staat waarvan de dader een onderdaan is, hetzij voor het gerecht van de plaats waar hij kan worden gevonden, het ISH op de hoogte stellen van die feiten.

2.1.3) Bijzondere rol van de dienst Internationaal Humanitair Recht van de FOD Justitie

Om de samenwerking en het toezicht op de samenwerking van België met het Hof te waarborgen, wordt krachtens de artikelen 2, vierde streepje, en 5 van de wet een centrale autoriteit opgericht die bevoegd is om de verzoeken uitgaande van het Hof in ontvangst te nemen, over te zenden aan de bevoegde Belgische autoriteiten en de opvolging ervan te waarborgen. In dat kader is de centrale autoriteit bevoegd om elke overheid, met inbegrip van de gerechtelijke overheid, te vorderen om toe te zien op de goede uitvoering van de verzoeken uitgaande van het Hof (9).

Artikel 5 van de wet voorziet eveneens erin dat de centrale autoriteit bevoegd is om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Hof en om, overeenkomstig artikel 10 van deze wet, enige informatie van juridische aard die onder de bevoegdheid van het Hof zou kunnen vallen, over te zenden aan het Hof (zie onderstaand punt 2.3).

Krachtens de wet van 26 maart 2014 werd binnen de FOD Justitie de dienst Internationaal Humanitair Recht rechtstreeks aangewezen als centrale autoriteit (10). Voornoemde dienst oefent alle opdrachten ter zake uit. Sinds de oprichting ervan krachtens het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht (11) (hierna "het koninklijk besluit van 17 september 2005" genoemd), leidt deze dienst de Belgische samenwerking met alle internationale straftribunalen. De aanwijzing binnen de FOD Justitie van de bevoegde dienst als centrale autoriteit belast met de samenwerking met het Hof, en de rol van tussenpersoon die de uitwisseling van briefwisseling tussen het Hof en de Belgische autoriteiten centraliseert, zijn de omzetting van de verklaring die België heeft afgelegd op grond van artikel 87, § 1, van het Statuut van Rome bij de bekrachtiging ervan, te weten : "Verwijzend naar het artikel 87, paragraaf 1, van het Statuut verklaart het Koninkrijk België dat het Ministerie van Justitie de bevoegde autoriteit is om de verzoeken om samenwerking te ontvangen." (12)

2.1.4) Nationaal coördinatieorgaan - Belgian Task Force for International Criminal Justice

Teneinde de coördinatie van de bevoegde Belgische autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van een verzoek om samenwerking te waarborgen, werd een coördinatiestructuur met de naam Belgian Task Force for the International Criminal Court and the International Criminal Tribunals ("BTF ICC-ICT") in het leven geroepen. Krachtens het koninklijk besluit van 17 september 2005 werd het voorzitterschap en de coördinatie ervan toevertrouwd aan de dienst Internationaal Humanitair Recht van de FOD Justitie (13). Die Task Force werd onlangs geïntegreerd in de Belgian Task Force for International Criminal Justice, die werd opgericht bij het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 houdende organisatie van de "Belgian Task Force for International Criminal Justice (BTF ICJ)" (14). In artikel 9 van voornoemd koninklijk besluit is het volgende bepaald : "Indien de noodwendigheden zulks vereisen, inzonderheid wanneer zulks noodzakelijk is geworden wegens een specifiek verzoek om rechtshulp of samenwerking, belegt de voorzitter van de BTF ICJ een vergadering van de BTF ICJ met betrekking tot een specifiek dossier of een reeks specifieke dossiers. (...)" (15). Tijdens die vergaderingen worden de door de uitvoering van het verzoek of de verzoeken om samenwerking...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI