Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 juni 2002 betreffende het voorhanden hebben en het dragen van wapens door de diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht, de 16 juillet 2019

Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 juni 2002 betreffende het voorhanden hebben en het dragen van wapens door de diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 juli 2003, 1 september 2004, 10 juni 2006, 20 juli 2006, 29 december 2006, 3 juni 2007, 10 mei 2010 en 23 mei 2016, welk laatstgenoemd koninklijk besluit gedeeltelijk ingetrokken is bij het koninklijk besluit van 6 maart 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  1. in de bepaling onder 8° worden de woorden "de buitendiensten van het Bestuur Veiligheid van de Staat" vervangen door de woorden "de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat, alsook de ambtenaren van de binnendiensten van de inlichtingen- en veiligheidsdienst behorende tot het interventieteam of die de functie van technisch veiligheidsbeambte uitoefenen";

  2. de bepaling onder 13° wordt vervangen als volgt:

    "13° de politiediensten van een andere Staat die optreden op het Belgische grondgebied overeenkomstig een uitdrukkelijke Belgische wettelijke bepaling of een internationaal rechtsinstrument dat België en de betrokken Staat bindt, waarin bepaald wordt dat deze diensten wapens mogen dragen tijdens de uitvoering van hun respectieve wettelijke opdrachten in België;".

    Art. 2. In artikel 2 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :

  3. het eerste lid wordt vervangen als volgt:

    "Voor wat betreft de diensten bedoeld onder 1° tot en met 12° en onder 14° van artikel 1, is dit artikel 1 uitsluitend van toepassing indien de bevoegde overheid vooraf de wapens en de munitie heeft bepaald die behoren tot de reglementaire uitrusting, alsook de bepalingen heeft vastgelegd betreffende het verwerven, het voorhanden hebben, het bewaren, het dragen, het gebruiken en het vervreemden van die wapens en munitie.";

  4. in het vijfde lid wordt het woord "8°, " ingevoegd tussen de woorden "Voor de diensten bedoeld onder" en het woord "9° ";

  5. het zevende lid wordt vervangen als volgt:

    "Voor wat betreft de politiediensten bedoeld onder 13° van artikel 1, bepaalt de Minister van Binnenlandse Zaken vooraf de wapens en munitie van de reglementaire uitrusting die vervoerd en gedragen mogen worden tijdens opdrachten in België.".

    Art. 3. De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

    Handtekening

    Brussel, 16 juli 2019.

    FILIP

    Van Koningswege :

    De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,

    P. DE CREM

    De Minister van Justitie,

    K. GEENS

    Aanhef

    FILIP, Koning der Belgen,

    Aan allen die nu...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT