Koninklijk besluit tot vaststelling van Boek 1 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning, Boek 2 betreffende de elektrische installaties op hoogspanning en Boek 3 betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie, van 8 september 2019

 
GRATIS UITTREKSEL

Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder:

  1. " Boek 1 ": bepalingen tot vorming van Boek 1 opgenomen in de bijlage 1 bij dit besluit, betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning (wisselspanning ≤ 1000 V en gelijkspanning met en zonder rimpel ≤ 1500 V);

  2. " Boek 2 ": bepalingen tot vorming van Boek 2 opgenomen in de bijlage 2 bij dit besluit, betreffende de elektrische installaties op hoogspanning (wisselspanning > 1000 V en gelijkspanning met en zonder rimpel > 1500 V);

  3. " Boek 3 ": bepalingen tot vorming van Boek 3 opgenomen in de bijlage 3 bij dit besluit, betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie;

  4. " elektrische installatie ": elektrische installatie bestemd voor productie, omvorming, transmissie, distributie of gebruik van elektrische energie, voor zover dat de nominale frequentie van de stroom niet groter is dan 10.000 Hz.

    Art. 2. De elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning waarvan de uitvoering, wijziging of uitbreiding wordt aangevangen na de inwerkingtreding van dit besluit moeten voldoen aan de delen 1 tot 9 van Boek 1, met uitzondering van deel 8.

    Art. 3. De bestaande elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning waarvan de uitvoering, wijziging of uitbreiding werd aangevangen vóór de inwerkingtreding van dit besluit moeten voldoen aan de delen 1 tot 9 van Boek 1.

    Art. 4. De elektrische installaties op hoogspanning waarvan de uitvoering, wijziging of uitbreiding wordt aangevangen na de inwerkingtreding van dit besluit moeten voldoen aan de delen 1 tot 9 van Boek 2, met uitzondering van deel 8.

    Art. 5. De bestaande elektrische installaties op hoogspanning waarvan de uitvoering, wijziging of uitbreiding werd aangevangen vóór de inwerkingtreding van dit besluit moeten voldoen aan de delen 1 tot 9 van Boek 2.

    Art. 6. De installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie waarvan de uitvoering, wijziging of uitbreiding wordt aangevangen na de inwerkingtreding van dit besluit moeten voldoen aan de delen 1 tot 9 van Boek 3, met uitzondering van deel 8.

    Art. 7. De bestaande installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie waarvan de uitvoering, wijziging of uitbreiding werd aangevangen vóór de inwerkingtreding van dit besluit moeten voldoen aan de delen 1 tot 9 van Boek 3.

    Art. 8. De kabels ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening, die in de elektrische installaties van de Boeken 1 en 3 geïntegreerd worden en waarvan de uitvoering, wijziging of uitbreiding werd aangevangen na 4 september 2013, moeten voldoen aan de voorzorgsmaatregelen tegen brand van de delen 4 en 5 van de Boeken 1 en 3.

    Art. 9. De minister bevoegd voor Energie, mag individuele afwijkingen van de goedgekeurde bepalingen toestaan betreffende:

  5. de huishoudelijke installaties op laagspanning en op zeer lage spanning bedoeld in het Boek 1;

  6. de niet-huishoudelijke installaties op laagspanning en op zeer lage spanning bedoeld in het Boek 1, andere dan deze die zich bevinden hetzij in de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk geklasseerde inrichtingen hetzij in de inrichtingen die personeel tewerkstellen overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;

  7. de installaties op hoogspanning bedoeld in het Boek 2, andere dan deze die zich bevinden hetzij in de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk geklasseerde inrichtingen hetzij in de inrichtingen die personeel tewerkstellen overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;

  8. de elektrische installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie bedoeld in het Boek 3, andere dan deze die zich bevinden hetzij in de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk geklasseerde inrichtingen hetzij in de inrichtingen die personeel tewerkstellen overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

    Deze afwijkingen kunnen alleen worden toegestaan in de volgende gevallen:

  9. wanneer gebruik gemaakt wordt van regelingen of van speciale inrichtingen die een veiligheid kunnen verzekeren welke ten minste gelijkwaardig is aan die welke het resultaat is van de toepassing van de reglementaire voorschriften;

  10. in uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden.

    Voor het aannemen van een besluit in toepassing van het eerste en tweede lid, raadpleegt de Minister het Vast Elektrotechnisch Comité en hij bepaalt een termijn van drie maand waarbinnen het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies niet meer vereist.

    De afwijkingen maken het voorwerp uit van een met redenen omkleed besluit en worden toegestaan op verslag van de bevoegde ambtenaar, afhangende van het gezag van de Minister en mits de inachtneming van alle bijzondere voorwaarden die noodzakelijk zullen worden geacht.

    De Minister mag de bevoegdheid voor het verlenen van een afwijking overdragen op ambtenaren, afhangende van zijn gezag en die hij met het oog hierop aanduidt.

    Art. 10. De minister bevoegd voor Energie en de minister bevoegd voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, mogen ieder wat hem betreft, voor de installaties die niet beoogd worden bij artikel 9, individuele afwijkingen van de bepalingen van de Boeken 1, 2 en 3 toestaan.

    Deze afwijkingen kunnen alleen worden toegestaan in de volgende gevallen:

  11. wanneer gebruik gemaakt wordt van regelingen of van speciale inrichtingen die een veiligheid kunnen verzekeren welke ten minste gelijkwaardig is aan die welke het resultaat is van de toepassing van de reglementaire voorschriften;

  12. in uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden.

    Voor het aannemen van een besluit in toepassing van het eerste en tweede lid, raadpleegt de Minister het Vast Elektrotechnisch Comité en hij bepaalt een termijn van drie maand waarbinnen het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies niet meer vereist.

    De afwijkingen maken het voorwerp uit van een met redenen omkleed besluit en worden toegestaan op verslag van de bevoegde ambtenaar, afhangende van het gezag van de belanghebbende Minister en mits de inachtneming van alle bijzondere voorwaarden die noodzakelijk zullen worden geacht.

    De Ministers mogen de bevoegdheid voor het verlenen van een afwijking overdragen op ambtenaren, afhangende van hun gezag en die zij met het oog hierop aanduiden.

    Art. 11. Overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening, wordt het Vast Elektrotechnisch Comité geraadpleegd voor elke wijziging van de Boeken 1, 2 en 3 betreffende:

  13. de huishoudelijke installaties op laagspanning en op zeer lage spanning bedoeld in het Boek 1;

  14. de niet-huishoudelijke installaties op laagspanning en op zeer lage spanning bedoeld in het Boek 1, andere dan deze die zich bevinden hetzij in de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk geklasseerde inrichtingen hetzij in de inrichtingen die personeel tewerkstellen overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;

  15. de installaties op hoogspanning bedoeld in het Boek 2, andere dan deze die zich bevinden hetzij in de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk geklasseerde inrichtingen hetzij in de inrichtingen die personeel tewerkstellen overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;

  16. de elektrische installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie bedoeld in het Boek 3, andere dan deze die zich bevinden hetzij in de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk geklasseerde inrichtingen hetzij in de inrichtingen die personeel tewerkstellen overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk,

    Het advies wordt gegeven binnen een termijn overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening.

    Art. 12. Overeenkomstig de artikelen 22, vijfde lid, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening en 95, eerste lid, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, worden het Vast Elektrotechnisch Comité en de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk geraadpleegd voor elke wijziging van de Boeken 1, 2 en 3 betreffende de installaties die niet beoogd worden bij artikel 11.

    Het advies van het Vast Elektrotechnisch Comité wordt gegeven binnen een termijn overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening.

    Art. 13. Overeenkomstig artikel 80 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en artikel 17, tweede lid, van het Sociaal Strafwetboek zijn de ambtenaren en beambten bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 augustus 2002 tot aanwijzing van de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan belast met het toezicht op de toepassing van dit besluit en van de Boeken 1, 2 en 3 op de elektrische installaties in de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke inrichtingen, en in de inrichtingen die personeel tewerkstellen overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

    De hierboven aangeduide bevoegdheid van de ambtenaren en beambten van de voormelde administratie strekt zich uit tot de elektrische...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT