Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene structuur van het Ministerie van Landsverdediging en tot vaststelling van de bevoegdheden van bepaalde autoriteiten, van 2 december 2018

 
GRATIS UITTREKSEL

HOOFDSTUK 1. - Algemene structuur

Artikel 1. Het Ministerie van Landsverdediging bestaat uit de volgende organen en onderafdelingen:

  1. het secretariaat van de minister en de cel Defensie;

  2. de hoge raad voor defensie;

  3. het administratief en technisch secretariaat;

  4. de defensiestaf;

  5. de strijdkrachten, bestaande uit:

    - de landcomponent;

    - de luchtcomponent;

    - de marinecomponent;

    - de medische component;

  6. het inspectoraat-generaal;

  7. de directieraad;

  8. de diensten voor arbeids- en milieu-inspectie;

  9. het koninklijk hoger instituut voor Defensie.

    De organen en de onderafdelingen bedoeld in het eerste lid, 3° tot 6°, vormen de Krijgsmacht.

    De bepalingen betreffende de strategische cel bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende inrichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst en de bepalingen betreffende de secretariaten bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van het kabinet van een lid van een regering of van een college van een gemeenschap of een gewest, zijn van toepassing op de organen bedoeld in het eerste lid, 1°.

    Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit moet verstaan worden onder:

  10. "de minister": de minister van Defensie;

  11. "het departement": het Ministerie van Landsverdediging;

  12. "operaties": de opdrachten bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de perioden en de standen van de militairen van het reservekader alsook betreffende de aanwending en de paraatstelling van de Krijgsmacht.

    Art. 3. De organisatie en de bevoegdheden van het secretariaat van de minister, van de cel Defensie, van het administratief en technisch secretariaat, van de directieraad, van de diensten voor arbeids- en milieu-inspectie en van het koninklijk hoger instituut voor Defensie worden door de Koning bij bijzondere bepalingen vastgelegd.

    Art. 4. De hoge raad voor defensie is een raadgevend orgaan dat aan de minister advies verstrekt met betrekking tot de uitwerking van het beleid voor het departement, de coördinatie van de beleidsvorming tussen de verschillende stafdepartementen en algemene directies, de evaluatie van het gevoerd beleid, de algemene structuur van de Krijgsmacht, de personeelsbehoeften en de belangrijke investeringen, de deelname aan operaties en de hieraan verbonden middelen.

    Art. 5. De hoge raad voor defensie bestaat uit:

  13. de minister, voorzitter;

  14. de directeurs van het secretariaat van de minister en van de cel Defensie;

  15. de chef defensie;

  16. de chef van het administratief en technisch secretariaat;

  17. de personen die daartoe worden aangewezen door de minister.

    HOOFDSTUK 2. - De defensiestaf

    Afdeling 1. - Algemeen

    Art. 6. § 1. De defensiestaf wordt geleid door de chef defensie, en omvat:

  18. het directiecomité;

  19. drie stafdepartementen, elk onder de leiding van een onderstafchef;

  20. zes algemene directies, elk onder de leiding van een directeur-generaal;

  21. de staven van de strijdkrachten;

  22. de diensten van de chef defensie.

    § 2. De stafdepartementen zijn:

  23. het stafdepartement operaties en training;

  24. het stafdepartement strategie;

  25. het stafdepartement inlichtingen en veiligheid.

    Een stafdepartement kan over uitvoeringsorganen beschikken.

    In afwijking van paragraaf 1, hangt het stafdepartement strategie rechtstreeks af van de vice-chef defensie.

    § 3. De algemene directies zijn:

  26. de algemene directie human resources;

  27. de algemene directie material resources;

  28. de algemene directie juridische steun;

  29. de algemene directie budget en financiën;

  30. de algemene directie strategische communicatie;

  31. de algemene directie gezondheid en welzijn.

    Een algemene directie kan over uitvoeringsorganen beschikken.

    Art. 7. § 1. De chef defensie is de hoogste autoriteit die onder de minister ressorteert.

    § 2. De chef defensie bereidt de elementen voor tot uitwerking van het defensiebeleid. Daartoe doet hij voorstellen betreffende de te bereiken objectieven en de opdrachten, taken en structuren die daarbij horen. Hij stelt de personeelseffectieven, de materiële en budgettaire middelen voor evenals hun verdeling per te bereiken objectief. Hij stelt de plannen en de programma's op in alle domeinen, alsook de jaarlijks te verwezenlijken schijven met inbegrip van de bijhorende middelen en legt ze in de hoge raad voor defensie voor aan de minister.

    Hij adviseert de minister aangaande geplande en aan de gang zijnde operaties. Daartoe doet hij voorstellen betreffende de te bereiken objectieven, de opdrachten, de structuren, de inzetregels en de middelen in personeel en materieel die daarbij horen.

    § 3. De chef defensie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het door de politieke overheid vastgelegde defensiebeleid.

    Daartoe is hij als commandant van de strijdkrachten verantwoordelijk voor hun training en hun voorbereiding en voor de uitvoering van de operaties.

    Daarenboven is hij verantwoordelijk voor het beheer en de administratie van de Krijgsmacht en verzekert en controleert hij de uitvoering van de door de minister vastgelegde plannen. Hij bepaalt de grondbeginselen en de richtlijnen betreffende de aanwending van de middelen in functie van de opdrachten en controleert de toepassing van de wettelijke en reglementaire voorschriften.

    Afdeling 2. - Het directiecomité

    Art. 8. Het directiecomité is belast met de leiding van de defensiestaf in uitvoering van het vastgelegd defensiebeleid en betreffende alle gegevens en informatie die aan de hoge raad voor defensie voorgelegd worden.

    Art. 9. Het directiecomité bestaat uit:

  32. de chef defensie, voorzitter;

  33. de vice-chef defensie;

  34. de onderstafchefs en de directeurs-generaal;

  35. de commandanten van de componenten;

  36. de personen die daartoe worden aangewezen door de chef defensie.

    Afdeling 3. - De bevoegdheden van de vice-chef defensie

    Art. 10. De vice-chef defensie:

  37. staat de chef defensie bij in de leiding van de defensiestaf en vervangt hem binnen de perken van bijzondere voorschriften vastgelegd door deze, waar en wanneer deze laatste het nodig acht;

  38. behandelt de dossiers binnen de voorgeschreven bevoegdheden of die, in overleg met de chef defensie, op zijn niveau kunnen worden beslist;

  39. is verantwoordelijk voor de horizontale coördinatie zowel intern de defensiestaf als in de relaties met externe actoren.

    De vice-chef defensie wordt in zijn dagelijkse werkzaamheden ondersteund door de diensten van de chef defensie bedoeld in artikel 6, § 1, 5°.

    Afdeling 4. - De algemene bevoegdheden van de onderstafchefs en directeurs-generaal en de commandanten van de componenten

    Art. 11. § 1. De onderstafchefs, de directeurs-generaal en de commandanten van de componenten, elk in hun bevoegdheidsdomein:

  40. zijn raadgevers van de chef defensie; daartoe voorzien ze hem van gegevens en informatie die hem moeten toelaten een coherent defensiebeleid voor te stellen aan de minister;

  41. werken in het kader van het vastgelegd beleid en in samenspraak met de andere onderstafchefs, directeurs-generaal en commandanten van de componenten, de planning, de programmering ten behoeve van de paraatstelling en de algemene functioneringsrichtlijnen voor de Krijgsmacht uit;

  42. zijn, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef strategie en van de directeur-generaal juridische steun, belast met de naleving en het beheer van de door het departement afgesloten akkoorden en de door België afgesloten internationale akkoorden en stellen deze akkoorden op die tot het bevoegdheidsdomein van het departement behoren;

  43. zijn, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef strategie en van de directeur-generaal strategische communicatie, belast met de externe relaties;

  44. participeren in het beheer van het wetenschappelijk en technologisch onderzoek, inclusief aan nationale en internationale programma's;

  45. voorzien de andere onderstafchefs, directeurs-generaal en commandanten van de componenten van de gegevens en informatie die toelaten hun respectieve bevoegdheden uit te oefenen;

  46. verzekeren, wanneer nodig, onverminderd de bevoegdheden van de inspecteur-generaal en de evaluatiebevoegdheden van de andere onderstafchefs, directeurs-generaal en commandanten van de componenten, de productie, de verzameling en de uitbating van controle- en evaluatieinformatie met betrekking tot de processen en/of de beheersingsobjectieven die tot hun bevoegdheidsdomein behoren.

    § 2. De onderstafchefs, de directeurs-generaal en de commandanten van de componenten, elk in hun respectievelijke diensten:

  47. verzekeren, onverminderd de bevoegdheden van de inspecteur-generaal en de evaluatiebevoegdheden van de andere onderstafchefs, directeurs-generaal en commandanten van de componenten, de productie, de verzameling en de uitbating van controle- en evaluatieinformatie;

  48. formuleren adviezen en aanbevelingen betreffende behoeften en toegekende middelen voor de uitvoering van hun opdracht;

  49. zijn verantwoordelijk voor de materiële, budgettaire en personeelsmiddelen die hen zijn toegekend;

  50. zijn belast met de verwezenlijking van de vormingen die de chef defensie hen toewijst, overeenkomstig de vastgestelde eindtermen en onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal human resources;

  51. zijn belast met de interne informatieverspreiding, overeenkomstig de algemene richtlijnen bedoeld in artikel 30, 2°.

    § 3. Behalve de bevoegdheden vastgelegd in de eerste en de tweede paragraaf oefenen zij, elk in hun domein, de in artikelen 12 tot 35 nader beschreven staf- en commandobevoegdheden uit.

    De minister legt op voorstel van de chef defensie in een reglement de bijzondere bevoegdheden vast van elke onderstafchef, directeur-generaal en commandanten van de componenten.

    Afdeling 5. - De stafdepartementen

    Onderafdeling 1. - Het stafdepartement operaties en training

    Art. 12. Het stafdepartement operaties en training staat onder...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT