Koninklijk besluit nr. 3 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, van 9 april 2020

 
GRATIS UITTREKSEL

Artikel 1. De maatregelen voorzien in huidig besluit zijn van toepassing gedurende de periode van 18 maart 2020 tot en met 3 mei 2020.

In afwijking van het eerste lid, zijn de maatregelen bedoeld in de artikelen 19 en 20 van toepassing gedurende de periode van 18 maart 2020 tot en met 3 juni 2020.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de einddatum van deze periodes aanpassen.

HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende het Wetboek van Strafvordering inzake de schriftelijke behandeling van de hogere beroepen voor de kamer van inbeschuldigingstelling voorzien in de artikelen 21bis, §§ 7 en 8, 28sexies, § 4, 28octies, § 4, 28novies, § 7, 61ter, §§ 5 en 6, 61quater, §§ 5 en 6, 61quinquies, §§ 4 en 5, en 61sexies, § 4.

Art. 2. In afwijking van de artikelen 21bis, §§ 7 en 8, 28sexies, § 4, 28octies, § 4, 28novies, § 7, 61ter, §§ 5 en 6, 61quater, §§ 5 en 6, 61quinquies, §§ 4 en 5, en 61sexies, § 4, van het Wetboek van Strafvordering, kan de kamer van inbeschuldigingstelling voor de duur van de in artikel 1, eerste en derde lid bedoelde periode, de zaak die voor haar is aangebracht, schriftelijk behandelen.

Voor zover de procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat schriftelijk opmerkingen overmaken aan de kamer van inbeschuldigingstelling, worden deze onverwijld, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, overgemaakt aan de andere partijen in de zaak, voor eventuele bijkomende schriftelijke opmerkingen, en dit voorafgaand aan de schriftelijke behandeling van de zaak.

HOOFDSTUK 2. - Bepalingen houdende schorsing van de verjaringstermijnen

Art. 3. Worden voor een termijn gelijk aan de duur van de in artikel 1, eerste en derde lid, bedoelde periode, aangevuld met een maand, geschorst:

  1. de verjaringstermijnen van de strafvordering voorzien voor de misdrijven van het Strafwetboek en voor de misdrijven van de bijzondere wetten;

  2. de verjaringstermijnen van de straffen.

    HOOFDSTUK 3. - Bepalingen betreffende de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten

    Art. 4. In het geval bedoeld in artikel 3, § 3, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, hoort de strafuitvoeringrechter, voor de duur van de in artikel 1, eerste en derde lid bedoelde periode, enkel de raadsman van de verzoeker, behoudens andersluidende gemotiveerde beslissing. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

    Art. 5. In de gevallen bedoeld in de artikelen 53, 61, 63, 68, 75/2, 78, 79, 95/1, 95/6, 95/13, 96/16, 96/18, 96/19, 96/23 en 95/30, van dezelfde wet, hoort de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, voor de duur van de in artikel 1, eerste en derde lid bedoelde periode, enkel de raadslieden van de veroordeelde, in voorkomend geval, van het slachtoffer, en het openbaar ministerie, behoudens andersluidende gemotiveerde beslissing. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. De directeur geeft een schriftelijk advies, dat eveneens een toelichting omvat van de voorwaarden gesteld in het belang van het slachtoffer indien hij deze heeft opgenomen in zijn advies opgesteld overeenkomstig artikel 31, van dezelfde wet.

    Art. 6. § 1. De onderbreking van de strafuitvoering "coronavirus COVID-19" laat de veroordeelde toe de gevangenis te verlaten voor de duur van de in artikel 1, eerste en derde lid, bedoelde periode, en heeft tot doel de concentratie van de gevangenisbevolking te verminderen, de gezondheidsrisico's door het telkens verlaten van en terugkeren naar de gevangenis te beperken en zo mede het risico op een piek van besmettingen tegen te gaan.

    § 2. De onderbreking van de strafuitvoering schorst de uitvoering van de straf voor de duur van de maatregel.

    Art. 7. De onderbreking van de strafuitvoering kan worden toegekend door de directeur aan de veroordeelde die voldoet aan de volgende voorwaarden:

    - de veroordeelde heeft de afgelopen zes maanden minstens één goed verlopen penitentiair verlof bedoeld in artikel 6 of artikel 59 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten van minstens zesendertig uren genoten of voert zijn straf uit onder de modaliteit van beperkte detentie bedoeld in artikel 21 van dezelfde wet mits hij in dat kader reeds genoot van penitentiair verlof; of behoort tot de risicogroep van personen die kwetsbaar zijn voor het ontwikkelen van ernstige symptomen door het coronavirus COVID-19;

    - de veroordeelde beschikt over een vast adres;

    - er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de onderbreking van de strafuitvoering ernstige strafbare feiten zou plegen, op het risico dat hij de slachtoffers zou verontrusten of op het risico dat hij zich niet zal houden aan de maatregelen opgelegd door de overheid in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19;

    - er zijn op het ogenblik van de beslissing tot toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering geen aanwijzingen dat de veroordeelde gezondheidsproblemen zal teweegbrengen bij de personen bij wie hij zal verblijven;

    - de veroordeelde stemt schriftelijk in met de onderbreking van de strafuitvoering en met de daaraan verbonden algemene voorwaarden.

    De volgende veroordeelden zijn uitgesloten van de onderbreking van de strafuitvoering:

    - de veroordeelden die één of meerdere vrijheidsbenemende straffen ondergaan waarvan het totaal meer dan 10 jaar bedraagt;

    - de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten vermeld in Boek II, Titel Iter van het Strafwetboek;

    - de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten vermeld in de artikelen 371/1 tot 378bis van het Strafwetboek.

    Art. 8. De directeur verbindt aan de beslissing tot toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering de algemene voorwaarden dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen, dat hij op elke ogenblik telefonisch bereikbaar moet zijn, dat hij terug moet keren naar de gevangenis op vraag van de directeur, dat hij zich niet naar het buitenland mag begeven, dat hij de slachtoffers niet mag verontrusten en zich onmiddellijk moet verwijderen van de plaats waar hij een slachtoffer ontmoet en dat hij zich moet houden aan de maatregelen opgelegd door de overheid in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19.

    Art. 9. Indien de directeur de onderbreking van de strafuitvoering niet toekent aan de veroordeelde die er op grond van de voorwaarde bedoeld in artikel 7, eerste lid, eerste streepje, voor in aanmerking komt, neemt hij een gemotiveerde beslissing tot weigering en deelt deze mee aan de veroordeelde.

    Art. 10. De procureur des Konings van het arrondissement waar de onderbreking van de strafuitvoering plaatsvindt, wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering en van de algemene voorwaarden die eraan verbonden zijn.

    Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering en van de algemene voorwaarden die eraan verbonden zijn.

    Art. 11. De onderbreking van de strafuitvoering wordt toegekend voor de duur van de in artikel 1, eerste en derde lid, bedoelde periode. De veroordeelde neemt voor de einddatum zoals die gekend is bij de toekenning ven onderbreking van de strafuitvoering contact op met de gevangenis om te horen of de maatregel verlengd wordt, dan wel of hij zich moet aanbieden in de gevangenis.

    Art. 12. In geval van niet-naleving van de voorwaarden, kan de directeur de beslissing herroepen.

    Het slachtoffer wordt van de beslissing tot herroeping zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld.

    Art. 13. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de directeur.

    De directeur neemt overeenkomstig artikel 12 een beslissing over de onderbreking van de strafuitvoering binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde en de procureur des Konings.

    Het slachtoffer wordt van de beslissing zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld.

    Art. 14. De uitvoering van alle beslissingen tot toekenning van een uitgaansvergunning, penitentiair verlof of beperkte detentie, met inbegrip van deze gestoeld op artikel 59 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, wordt opgeschort voor de duur van de in artikel 1, eerste en derde lid, bedoelde periode. De directeur kan hierop een uitzondering toestaan wanneer dringende en humanitaire omstandigheden dit rechtvaardigen.

    Art. 15. § 1. Tijdens de duur van de in artikel 1, eerste en derde lid, bedoelde periode kent de directeur een vervroegde invrijheidstelling toe aan de veroordeelde vanaf zes maanden vóór het einde van het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT