Jugement/arrêt, Cour du Travail de Bruxelles, 2023-02-07

JurisdictionBélgica
Judgment Date08 février 2023
ECLIECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230207.3,ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230207.2,ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230207.1,ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230208.1
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230207.3,https://juportal.be/content/ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230207.2,https://juportal.be/content/ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230207.1,https://juportal.be/content/ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230208.1
Docket Number2019/AB/599,2023/PB/3,2021/AB/43,2021/AB/415
CourtCour du Travail de Bruxelles
Arbeidshof te Brussel derde kamerRepertoriumnummer 2023/ Datum van uitspraak 7 februari 2023 Rolnummer 2021/AB/43 Beslissing waartegen beroep 19/646/A Uitgifte Uitgereikt aan op € JGR ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk arrest definitief EU, RRN , wonende te appellant verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. , advocaat te tegen [UNIVERSITEIT], ON , met maatschappelijke zetel te geïntimeerde, vertegenwoordigd mr. , advocaat te , vertegenwoordigd mr. , advocaat te , ** Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel het volgend arrest uit: Het hof houdt rekening met de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Leuven op 19 november 2020, 1ste B kamer (A.R. 19/646/A) - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie op 18 januari 2021, - de conclusies voor de appellant, - de conclusies voor de geïntimeerde, - de voorgelegde stukken. ** De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet op de openbare zitting van 8 november 2022, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen, voor uitspraak werd gesteld op 6 december 2022, waarna de uitspraak werd uitgesteld. I. De feiten en de rechtspleging in eerste aanleg 1. De relevante feiten kunnen als volgt worden samengevat: de heer EU trad in dienst van de [Universiteit] op 12 mei 1975 en maakte deel uit van het administratief en technisch personeel (“ATP”). In deze hoedanigheid was hij aangesloten bij de groepsverzekering ATP. De groepsverzekering werd ingevoerd in 1981, waarbij de rechtgevende periode (door de erkenning van verleden dienstjaren) aanvatte op 1 juni 1975. Vanaf 2005 voerde de [Universiteit] onderhandelingen met de sociale partners met het oog op een inhoudelijke aanpassing van de groepsverzekering die van toepassing was op het personeelscategorie ATP. De heer EU was op dat ogenblik tewerkgesteld in de functie van stafmedewerker en vertegenwoordigde in die periode de [Universiteit] in de ondernemingsraad als lid van de werkgeversafvaardiging. Op 28 maart 2006 sloten de [Universiteit] en [ONDERWIJSINSTELLING VOOR SOCIALE PROMOTIE] een cao met betrekking tot het aanvullend pensioen. Het pensioenreglement werd aangepast zonder wijziging voor het verleden. De wijziging heeft slechts impact op de toekomstige pensioenopbouw. Teneinde aldus enerzijds respect te hebben voor de opgebouwde rechten uit het verleden en anderzijds voor de toekomst een nieuwe formule te hanteren, werd in het pensioenreglement (stuk 1 [Universiteit]) een scharnierdatum vastgelegd, nl. 31 maart 2006/ 1 april 2006, als volgt: - Voor de periode van erkende diensttijd tot en met 31 maart 2006, werd het aanvullend pensioen uitgedrukt als een rente berekend conform de formule van het groepsverzekeringsreglement dat tot op die datum had bestaan, mits de (door artikel 15 KB-WAP opgelegde) toepassing van de principes van het dynamisch beheer; - Voor de periode van de erkende diensttijd vanaf 1 april 2006, werd het aanvullend pensioen uitgedrukt als een kapitaal en berekend conform een nieuwe formule. Concreet werden de pensioenrechten voor de beide periodes als volgt gedefinieerd: “3.2.1.1. Inleiding De aangeslotene die tot de einddatum in dienst is gebleven van de verzekeringsnemer, heeft vanaf de einddatum recht op een aanvullende rustrente (met betrekking tot de aanneembare jaren tot 31 maart 2006) en op de einddatum recht op een aanvullend pensioenkapitaal (met betrekking tot de aanneembare jaren vanaf 1 april 2006), zoals verder uitgewerkt in de punten 3.2.1.2 en 3.2.1.3 hieronder. 3.2.1.2. Aanvullende rustrente op de einddatum De aanvullende rustrente gaat in op de einddatum en is, op jaarbasis, gelijk aan: ((n1 / (n1 + n2)) x ((n / 60 x GW5) – WRP1)) – AG, waarbij: n gelijk is aan het aantal aanneembare jaren en volledige maanden op de einddatum, waarbij eventuele perioden van niet-voltijdse dienst slechts in aanmerking worden genomen a rato van het/de tewerkstellingspercentage(s) gedurende die periode(n); de factor n bedraagt evenwel maximaal 45 jaar n1 gelijk is aan het aantal aanneembare jaren en volledige maanden, gerekend tot uiterlijk 31 maart 2006, waarbij eventuele perioden van niet-voltijdse dienst slechts in aanmerking worden genomen a rato van het/de tewerkstellingspercentage(s) gedurende die periode(n); de factor n1 bedraagt evenwel maximaal 45 jaar n2 gelijk is aan n min n1 GW5 gelijk is aan de gemiddelde jaarbezoldiging bepaald op basis van de laatste vijf jaarbezoldigingen (zie punt 3.1.a)) op 1 januari voorafgaand aan de einddatum, aangepast aan de loonindex op de einddatum; WRP1 gelijk is aan het wettelijk rustpensioen zoals bepaald door de Rijksdienst voor Pensioenen, met betrekking tot de rechtgevende jaren en maanden met aansluiting bij de R.S.Z. dat de aangeslotene op de einddatum geniet of waarop hij op de einddatum aanspraak kan maken (iedereen wordt geacht aanspraak te kunnen maken op het wettelijk rustpensioen), in voorkomend geval verhoogd met de gekapitaliseerde renten (wetten van 18 juni 1930 en 3 april 1962); hierbij wordt ook rekening gehouden met de bedragen van het wettelijk pensioen die verband houden met rechtgevende perioden van loopbaanonderbreking, tijdskrediet, onbetaald verlof en andere verloven die in de cao van 28 maart 2006 vermeld staan als niet met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden, doch niet met de bedragen van het wettelijk pensioen die verband houden met eventuele beroepsactiviteiten die vreemd zijn aan de beroepsactiviteiten bij de verzekeringnemer uit hoofde waarvan de betrokkene aangesloten is bij deze groepsverzekering; voor een gehuwde aangeslotene wordt het gezinspensioen in aanmerking genomen, voor een ongehuwde aangeslotene wordt het pensioen van een alleenstaande in aanmerking genomen; wanneer beide echtgenoten aangesloten zijn bij deze groepsverzekering zullen zij, vanaf het ogenblik dat elk 5 rechtgevende jaren telt, als alleenstaande beschouwd worden en zal het overeenkomstig wettelijk pensioen in rekening worden gebracht AG gelijk is aan de herleide waarde in aanvullende rustrente op de einddatum opgebouwd in de pensioenregeling AG [...] De aangeslotene kan op de einddatum opteren voor de omzetting van de bovenstaande aanvullende rustrente in een eenmalig pensioenkapitaal. In dit geval vervalt elke aanspraak op uitkering in rente. [...] 3.2.1.3. Aanvullend pensioenkapitaal op de einddatum Het aanvullend pensioenkapitaal op de einddatum wordt geput uit het financieringsfonds en is gelijk aan ((n2 / (n1 + n2)) x ((n / 60 x GW5) – WRP2)) x 12,6 waarbij: n gelijk is aan de factor n zoals gedefinieerd in punt 3.2.1.2 n1 gelijk is aan de factor n1 zoals gedefinieerd in punt 3.2.1.2 n2 gelijk is aan de factor n2 zoals gedefinieerd in punt 3.2.1.2 GW5 gelijk is aan de factor GW5 zoals gedefinieerd in punt 3.2.1.2 WRP1 1,125 maal het wettelijk alleenstaandenrustpensioen voor een man zoals bepaald door de Rijksdienst voor Pensioenen met betrekking tot de rechtgevende jaren en maanden met aansluiting bij de R.S.Z. dat de aangeslotene op de einddatum geniet of waarop hij op de einddatum aanspraak kan maken (iedereen wordt geacht aanspraak te kunnen maken op het wettelijk rustpensioen), in voorkomend geval verhoogd met de gekapitaliseerde renten (wetten van 18 juni 1930 en 3 april 1962); hierbij wordt echter geen rekening gehouden met de bedragen van het wettelijk pensioen die verband houden met perioden van loopbaanonderbreking, tijdskrediet, onbetaald verlof en andere verloven die in de cao van 28 maart 2006 vermeld staan als niet met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden en evenmin met de bedragen van het wettelijk pensioen die verband houden met eventuele beroepsactiviteiten die vreemd zijn aan de beroepsactiviteit bij de verzekeringnemer uit hoofde waarvan de betrokkene aangesloten is bij deze groepsverzekering De aangeslotene kan er op de einddatum voor opteren om het aanvullend te laten uitkeren onder de vorm van een rente, maar slechts indien het jaarbedrag van de aanvangsrente hoger is dan het wettelijk vastgelegd drempelbedrag. [...] ” Op 25 april 2007 ondertekenden KBC en [Universiteit] een pensioenreglement (‘pensioenreglement 2007’ – zie stuk 2). De heer EU werd – zoals in de voorgangers van dit pensioenstelsel – aangesloten als lid van het administratief en technisch personeel (‘ATP’). Het betreft een te-bereiken-doel – pensioenplan (defined benefit). De prestatie is uitgedrukt als rente, die kan worden omgezet in kapitaal (zie artikel 3.2). De formule voor de berekening van die rente voorziet onder meer in de aftrek van het wettelijk pensioen. Een onderdeel van de bepaling m.b.t. dat wettelijk pensioen luidt als volgt: “voor een gehuwde aangeslotene wordt het gezinspensioen in aanmerking genomen, voor een ongehuwde aangeslotene wordt het pensioen van een alleenstaande in aanmerking genomen; wanneer beide echtgenoten aangesloten zijn bij deze groepsverzekering zullen zij, vanaf het ogenblik dat elk 5 rechtgevende jaren telt, als alleenstaande beschouwd worden en zal het overeenkomstig wettelijk pensioen in rekening worden gebracht.” De burgerlijke staat van de aangeslotene op het moment van de uitkering van de pensioenprestatie, zijnde bij pensionering, is hierbij determinerend. [Universiteit] en [ONDERWIJSINSTELLING VOOR SOCIALE PROMOTIE] sloten een “interpretatief addendum” bij de cao voor het ATP op 28 februari 2012. Bij de berekening van het aanvullend pensioenkapitaal verworven voor de periode van tewerkstelling tot en met 31 maart 2006 wordt voor elke gehuwde rekening houden met een wettelijk pensioen als gehuwde terwijl in de realiteit niet elke gehuwde een dergelijk gezinspensioen geniet. Voor de aanneembare jaren opgebouwd vanaf 1 april 2006 wordt de factor WP2 in mindering gebracht. Dat is het reëel wettelijk rustpensioen van een alleenstaande. Met...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT