Jugement/arrêt, Cour constitutionnelle (Cour d'arbitrage), 2023-10-19

JurisdictionBélgica
Judgment Date19 octobre 2023
ECLIECLI:BE:GHCC:2023:ARR.137
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.137
Docket Number137/2023
CourtCour constitutionnelle (Cour d'arbitrage)
Grondwettelijk Hof Arrest nr. 137/2023 van 19 oktober 2023 Rolnummer : 7898 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 120 en 122, tweede lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 8 februari 2018 « betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen » en de artikelen 50bis en 56bis van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik Het Grondwettelijk Hof samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul wijst na beraad het volgende arrest I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 24 november 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 december 2022, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 120 en 122, tweede lid, van het Waalse decreet van 8 februari 2018 betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen en de artikelen 50bis en 56bis van de algemene kinderbijslagwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de kinderen die recht hebben op het tarief voor wezen en de bijslagtrekkende die hen opvoedt anders behandelen in geval van huwelijk van of het vormen van een huishouden door de overlevende ouder, naargelang het rechthebbende kind vóór of na 1 januari 2019 wees is geworden ? ». Memories zijn ingediend door : - C.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Corman, advocaat bij de balie Luik-Hoei; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. N. Picard, advocaten bij de balie te Brussel; 2 - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 12 juli 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters E. Bribosia en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 september 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 september 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil C.M. huisvest en zorgt voor haar kleinzoon A.M., geboren op 21 mei 2003, sinds het overlijden van diens moeder op 3 oktober 2016. Zij geniet in die hoedanigheid kinderbijslag tegen het verhoogde tarief voor wezen. Op 30 maart 2021 beveelt de vzw « Caisse d’Allocations Familiales CAMILLE » de terugvordering van de wezentoeslag voor de periode van september 2019 tot februari 2021, om reden dat de vader van A.M. een bijdrage aan C.M. stort. Die laatste is van mening dat de vader zijn kind heeft verlaten en dat A.M. wees blijft ondanks de betaling van een bijdrage, maakt de zaak aanhangig bij de Arbeidsrechtbank te Luik, het verwijzende rechtscollege. Het verwijzende rechtscollege is allereerst van mening dat de financiële bijdrage waarvan sprake niet gering is en dat de kwalificatie van verlating van het kind dus dient te worden afgewezen. Het stelt vervolgens vast dat er, in het licht van de wetgeving inzake kinderbijslag tegen het tarief voor wezen in het Waalse Gewest, een verschil in behandeling bestaat, tussen de kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2020 en wees geworden zijn vóór 1 januari 2019, waaronder A.M., en de kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2020 maar wees geworden zijn na 1 januari 2019. Voor de kinderen uit de tweede categorie wordt hun verhoogde tarief voor wezen immers niet geschrapt als gevolg van het feit dat de overlevende ouder opnieuw een gezin vormt, in tegenstelling tot de kinderen van de eerste categorie. Bijgevolg stelt het verwijzende rechtscollege de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. C.M., verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, voert aan dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën vergelijkbaar zijn. Enkel de overlijdensdatum van de overleden ouder kan niet volstaan om kinderen, die eventueel dezelfde leeftijd hebben en zich in voorkomend geval in een vergelijkbare sociaal-economische situatie bevinden, op verschillende wijze te behandelen. Zij is vervolgens van mening dat het gekozen criterium niet pertinent is. Het Waalse decreet van 8 februari 2018 « betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen » (hierna : het decreet van 8 februari 2018) wilde opnieuw meer rechtvaardigheid en gelijkheid invoeren. Welnu, het criterium van de datum van het overlijden van de ouder verplaatst die ongelijkheid alleen maar. 3 De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege erkent dat de wetgever een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft wanneer hij een overgangsregeling invoert. Een dergelijke regeling mag echter het beginsel van gewettigd vertrouwen evenwel niet op buitensporige wijze aantasten, hetgeen te dezen wel het geval is. Bijgevolg is de overgangsmaatregel niet in overeenstemming met de doelstelling om de ongelijkheid weg te nemen. Hij is ook niet evenredig met die doelstelling aangezien hij buitensporige financiële gevolgen heeft ten nadele van het kind. A.2.1. De Waalse Regering herinnert allereerst eraan dat het Waalse Gewest, na de overdracht van de bevoegdheid van de gezinsbijslagen bij de Zesde Staatshervorming, de van toepassing zijnde regeling heeft willen hervormen en moderniseren. Voorheen, onder de gelding van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna : de AKBW), was het verhoogde tarief voor wezen identiek naargelang in het geval van het overlijden van één of van beide ouders. Het decreet van 8 februari 2018 heeft gekozen voor een differentiatie tussen de wees van één ouder, die een verhoging van 50...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT