Jugement/arrêt, Cour constitutionnelle (Cour d'arbitrage), 2023-10-19

JurisdictionBélgica
Judgment Date19 octobre 2023
ECLIECLI:BE:GHCC:2023:ARR.139
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.139
Docket Number139/2023
CourtCour constitutionnelle (Cour d'arbitrage)
Grondwettelijk Hof Arrest nr. 139/2023 van 19 oktober 2023 Rolnummer : 7923 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 335, §§ 3 en 4, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel Het Grondwettelijk Hof samengesteld uit rechter J. Moerman, waarnemend voorzitster, voorzitter P. Nihoul, en de rechters D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter J. Moerman wijst na beraad het volgende arrest I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 9 januari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 januari 2023, heeft de familierechtbank van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 335, § 3 van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het het meerderjarige kind dat met succes een vordering tot betwisting van het vaderschap (en terzelfder tijd een vordering tot vaststelling van het vaderschap) heeft ingesteld en vervolgens vrijwillig wordt erkend door de beweerde biologische vader, niet toestaat de naam van deze laatste te dragen door daartoe een verklaring af te leggen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, terwijl deze mogelijkheid wel openstaat voor minderjarige kinderen middels een verklaring van hun ouders ? 2. Schendt artikel 335, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 50/2017 van 27 april 2017, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het het meerderjarige kind dat met succes een vordering tot betwisting van het vaderschap en terzelfder tijd een vordering tot vaststelling van het vaderschap heeft ingesteld en vervolgens, nadat deze laatste vordering naar de bijzondere rol werd verzonden, vrijwillig werd erkend door de beweerde biologische vader, niet toestaat de naam van deze laatste te dragen, terwijl deze mogelijkheid wel openstaat voor het meerderjarige kind dat met 2 succes een vordering tot betwisting van het vaderschap en terzelfder tijd een vordering tot vaststelling van het vaderschap heeft ingesteld die door de rechtbank naderhand gegrond wordt verklaard ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 12 juli 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters J. Moerman en E. Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 september 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 september 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil L.R. (voorheen L.B.) heeft sinds zijn geboorte op 21 december 1999 een afstammingsband met zijn moeder, B.R., en haar toenmalige echtgenoot, D.B, van wie hij aanvankelijk de naam droeg. Op 16 december 2021 dagvaardt L.R. zijn moeder, zijn wettelijke vader en zijn beweerde biologische vader, A.S., voor de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. L.R. verzoekt de Rechtbank te zeggen voor recht dat niet D.B. maar wel A.S zijn vader is, evenals dat hij voortaan de naam van A.S. draagt. Bij vonnis van 14 februari 2022 verklaart de Rechtbank de vordering tot betwisting van het vaderschap van D.B. gegrond, neemt daarbij akte van de verklaring van L.R. dat hij de naam van D.B. niet wenst te behouden en verzendt de vordering tot onderzoek naar het vaderschap naar de bijzondere rol, dit laatste omdat de door het meerderjarige kind ingestelde vordering tot betwisting van en tot onderzoek naar het vaderschap geen twee-in- één-vordering is, met andere woorden geen vordering waarover tegelijkertijd uitspraak kan worden gedaan. Sindsdien draagt L.R. de naam van zijn moeder. Op 9 juni 2022 wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw een akte van vrijwillige erkenning opgesteld, waardoor het vaderschap van A.S. ten aanzien van L.R. komt vast te staan. Vervolgens verzoekt L.R. de Rechtbank om uitspraak te doen over de wijziging van zijn familienaam, zoals gevorderd in de inleidende dagvaarding. De Rechtbank stelt vast dat artikel 335, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek haar niet de bevoegdheid verleent om akte te nemen van de door de eiser gekozen naam wanneer het kind vrijwillig wordt erkend voor de ambtenaar van de burgerlijke stand nadat het succesvol het vaderschap van de wettelijke vader heeft betwist. De Rechtbank acht het vervolgens aangewezen bovenvermelde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. 3 III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad meent dat de eerste prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, omdat het antwoord niet nuttig is voor het oplossen van het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege. Hij doet gelden dat de vraag betrekking heeft op de onmogelijkheid voor een meerderjarige persoon om voor de ambtenaar van de burgerlijke stand een verklaring tot naamswijziging af te leggen, terwijl het verwijzende rechtscollege zich dient uit te spreken over een vordering tot vaststelling van een afstammingsband en tot wijziging van de naam met toepassing van artikel 335, § 4, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek. Het antwoord van het Hof kan volgens hem nooit tot gevolg hebben dat het verwijzende rechtscollege akte kan nemen van de naamswijziging. De Ministerraad is daarnaast van oordeel dat het verwijzende rechtscollege verkeerdelijk ervan uitgaat dat het nog een uitspraak kan doen over de vordering tot naamswijziging. Ingevolge de vrijwillige erkenning voor de ambtenaar van de burgerlijke stand is de desbetreffende afstammingsband volgens hem komen vast te staan. Hij verwijst daarbij naar artikel 322 van het oud Burgerlijk Wetboek. Daar het in artikel 335, § 4, van hetzelfde Wetboek vervatte recht om van naam te veranderen een accessorium vormt van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, kan het verwijzende rechtscollege volgens hem geen uitspraak meer doen over de vordering tot naamswijziging. A.2.1. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de eerste prejudiciële vraag wel een antwoord behoeft, meent de Ministerraad dat het in die vraag bedoelde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, meer bepaald de minderjarigheid dan wel de meerderjarigheid van het kind wiens afstamming van vaderszijde komt vast te staan. A.2.2. Uit de rechtspraak van het Hof leidt de Ministerraad af dat de regeling van de keuze van de naam in artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek redelijk verantwoord is ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. Uit die rechtspraak blijkt volgens hem meer bepaald dat het redelijk verantwoord is dat de wetgever, rekening houdend met het maatschappelijk nut van de bestendigheid van de naam en met het belang van het kind, erin heeft voorzien dat de reeds toegekende naam slechts kan worden gewijzigd met instemming van beide ouders, die samen het meest geschikt kunnen worden geacht om het belang van het kind te beoordelen, waardoor die naam bij onenigheid onveranderd blijft. Het maatschappelijk nut van de bestendigheid van de naam rechtvaardigt volgens hem ook dat de mogelijkheid om van naam te veranderen wanneer de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde onderworpen wordt...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT