Jugement/arrêt, Cour constitutionnelle (Cour d'arbitrage), 2024-04-25

JurisdictionBélgica
Judgment Date25 avril 2024
ECLIECLI:BE:GHCC:2024:ARR.046
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.046
Docket Number46/2024
CourtCour constitutionnelle (Cour d'arbitrage)
Grondwettelijk Hof Arrest nr. 97/2023 van 15 juni 2023 Rolnummer : 7942 In zake : de vordering tot schorsing van de wet van 16 december 2022 « tot vaststelling van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector », ingesteld door de nv « Varo Energy Belgium » Het Grondwettelijk Hof samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, Y. Kherbache, T. Detienne, S. de Bethune en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen wijst na beraad het volgende arrest I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 maart 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 maart 2023, heeft de nv « Varo Energy Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Delanote, advocaat bij de balie te Brussel, een vordering tot schorsing ingesteld van de wet van 16 december 2022 « tot vaststelling van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 december 2022). Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde wet. Bij beschikking van 15 maart 2023 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 26 april 2023, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 17 april 2023 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partij over te zenden. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel, Mr. K. Decroix en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. 2 Op de openbare terechtzitting van 26 april 2023 : - zijn verschenen : . Mr. M. Delanote, voor de verzoekende partij; . Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, tevens loco Mr. K. Decroix, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.1. De verzoekende partij vordert de schorsing van de wet van 16 december 2022 « tot vaststelling van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector » (hierna : de wet van 16 december 2022). A.1.2. In het eerste middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 122, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met de verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 « betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen » (hierna : de verordening (EU) 2022/1854). De verzoekende partij voert aan dat de verordening (EU) 2022/1854, die de bestreden wet van 16 december 2022 beoogt uit te voeren, geen geldige rechtsgrondslag heeft. Die verordening werd aangenomen op grond van artikel 122, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat de Raad machtigt om, op voorstel van de Commissie, « voor de economische situatie passende maatregelen » vast te stellen. De invoering van een tijdelijke solidariteitsbijdrage zou er evenwel toe strekken het zogenaamde « surplus aan winsten » binnen de oliesector af te romen, met als doel deze te herverdelen. Een dergelijke belasting op de winst gerealiseerd door een onderneming wordt beschouwd als een directe belasting, en kon enkel op grond van artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden ingevoerd. Die bepaling biedt de enige rechtsgrondslag in het primair EU-recht om maatregelen uit te vaardigen over de directe belastingen, en vereist eenparigheid van stemmen binnen de Raad en een raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch Sociaal Comité. De verzoekende partij meent dan ook dat het Hof een prejudiciële vraag dient te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de geldigheid van de tijdelijke solidariteitsbijdrage die werd ingevoerd bij de verordening (EU) 2022/1854. Vermits het Hof niet kan vooruitlopen op het antwoord van het Hof van Justitie, moet ervan worden uitgegaan dat het eerste middel ernstig is. A.1.3. In het tweede middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 38, 39, 128 en 143, § 1, van de Grondwet en van artikel 5, § 1, II, artikel 6, § 1, VI, VII en IX, en § 3, 2° en 3°, en artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/1854. 3 De verzoekende partij benadrukt dat de lidstaten overeenkomstig artikel 17 van de verordening (EU) 2022/1854 de opbrengsten van de tijdelijke solidariteitsbijdrage met voldoende snel effect moeten gebruiken voor welbepaalde doeleinden. Die doeleinden zouden in zeer belangrijke mate vallen onder aangelegenheden die aan de gewesten en de gemeenschappen zijn toegewezen. Het zou immers om maatregelen gaan die betrekking hebben op bijstand aan personen, op het economisch beleid, op het energiebeleid (waaronder de nieuwe energiebronnen en het rationeel energieverbruik) en op het tewerkstellingsbeleid. De verordening (EU) 2022/1854 zou dan ook zeer duidelijk betrekking hebben op bevoegdheden die zowel aan de federale overheid als aan de gemeenschappen en de gewesten toekomen, zodat er overeenkomstig artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een dwingende noodzaak bestaat om samenwerkingsakkoorden te sluiten. Bovendien dient op grond van artikel 6, § 3, 2° en 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een overleg plaats te vinden « voor iedere maatregel op het gebied van het energiebeleid, buiten de bevoegdheden opgesomd in § 1, VII », alsook « over de grote lijnen van het nationaal energiebeleid ». Bij gebrek aan een samenwerkingsakkoord en overleg zijn de in het middel aangevoerde bepalingen geschonden. A.1.4. In het derde middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/1854, doordat de bestreden wet van 16 december 2022 de erin geviseerde ondernemingen belast op basis van de hoeveelheid olieproducten die wordt verwerkt of tot verbruik wordt uitgeslagen. In een eerste onderdeel stelt de verzoekende partij dat op die manier aan de geviseerde ondernemingen de waarborg wordt ontnomen dat de solidariteitsbijdrage overeenkomstig de verordening wordt berekend op de belastbare winst. Bepaalde bedrijven, zoals ondernemingen actief in de raffinagesector en de zogenaamde « primaire deelnemers », worden door de bestreden wet onweerlegbaar vermoed overwinsten te hebben gerealiseerd ten bedrage van minstens 6,9 euro per ton verwerkte ruwe aardolie of van minstens 7,8 euro per kubieke meter product dat tot verbruik wordt uitgeslagen. Die stelling is verkeerd en wordt door de feiten tegengesproken. De door de wetgever aangevoerde verantwoording dat de balansen pas later bekend zijn, zou niet kunnen worden aangenomen. Niets verhindert immers dat de ondernemingen, desnoods op basis van voorlopige cijfers, hun winsten rapporteren. Bovendien kon de wetgever voorzien in een regularisatie- of compensatiemechanisme op basis van de definitieve jaarrekeningen, hetgeen hij bovendien ook gedaan heeft, zij het enkel om de verschuldigde bijdrage te verhogen. Evenmin kan worden aangenomen dat een forfaitaire berekeningswijze, zonder een negatieve regularisatie, nodig was omdat binnen bedrijven die deel uitmaken van een internationale groep winsten makkelijk zouden kunnen worden verschoven. Ondernemingen hebben immers de wettelijke verplichting om in hun betrekkingen met verbonden ondernemingen correcte...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT