Jugement/arrêt, Cour constitutionnelle (Cour d'arbitrage), 2023-04-20

JurisdictionBélgica
Judgment Date20 avril 2023
ECLIECLI:BE:GHCC:2023:ARR.066
Docket Number66/2023
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.066
CourtVerfassungsgerichtshof (Schiedshof)
Grondwettelijk Hof Arrest nr. 66/2023 van 20 april 2023 Rolnummer : 7827 In zake : het beroep tot vernietiging van titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2 (artikelen 13 tot 19) van de programmawet van 27 december 2021 (onder meer invoeging van de artikelen 32/1, 32/2, 240ter en 240quater van het WIB 1992), ingesteld door de stichting van openbaar nut « Prins Leopold Instituut voor Tropische Geneeskunde » en anderen Het Grondwettelijk Hof samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters Y. Kherbache, T. Detienne, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen wijst na beraad het volgende arrest I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 juni 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 juli 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2 (artikelen 13 tot 19) van de programmawet van 27 december 2021 (onder meer invoeging van de artikelen 32/1, 32/2, 240ter en 240quater van het WIB 1992), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2021, door de stichting van openbaar nut « Prins Leopold Instituut voor Tropische Geneeskunde », de stichting van openbaar nut « Antwerp Management School » en de stichting van openbaar nut « Vlerick Business School », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Vandingenen, advocaat bij de balie van Antwerpen, door Mr. K. Bollen en Mr. M. Vera, advocaten bij de balie te Brussel, en door Mr. B. De Cock, advocaat bij de balie te Gent. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door A. Lauwens en J. De Vleeschouwer, adviseurs bij de rechtskundige dienst van de FOD Financiën, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 18 januari 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers W. Verrijdt en T. Detienne te hebben gehoord, beslist : 2 - dat de zaak in staat van wijzen is, - de partijen uit te nodigen, in een uiterlijk op 15 februari 2023 in te dienen aanvullende memorie, waarvan ze binnen dezelfde termijn een kopie laten toekomen aan de andere partijen, hun standpunt mee te delen over de impact van de artikelen 2 tot 4, 39 en 64 van de wet van 21 december 2022 « houdende diverse fiscale bepalingen » op het beroep tot vernietiging en meer bepaald over de vraag in welk opzicht die vernietiging hun nog een voordeel kan opleveren, rekening houdend met de voormelde artikelen; - dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en - dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 maart 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partijen; - de Ministerraad. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 maart 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1. De verzoekende partijen voeren ter staving van hun belang aan dat zij allen stichtingen van openbaar nut zijn in de zin van artikel 1:7 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna : het WVV). De eerste en de tweede verzoekende partij werven geregeld werknemers en bedrijfsleiders uit het buitenland aan. De derde verzoekende partij wenst dat in de toekomst te doen. De bestreden bepalingen beperken het personele toepassingsgebied van de nieuwe belastingstelsels voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers tot binnenlandse vennootschapen, Belgische inrichtingen van een buitenlandse vennootschap en de verenigingen met rechtspersoonlijkheid (hierna : de vzw's) en de internationale verenigingen zonder winstoogmerk (hierna : de ivzw's) in de zin van artikel 1:6 van het WVV, met uitsluiting van de stichtingen van openbaar nut. Hierdoor lijden de verzoekende partijen een financieel en strategisch nadeel ten opzichte van de vennootschappen en de verenigingen die wel eronder vallen. De door de bestreden bepalingen toegekende tenlastenemingen hebben immers tot gevolg dat aan een werknemer of een bedrijfsleider een hoger nettoloon kan worden aangeboden. Bovendien zijn op die tenlastenemingen geen socialezekerheidsbijdragen verschuldigd. Aangezien de verzoekende partijen geen aanspraak maken op die voordelen, is het voor hen minder interessant om een werknemer of een bedrijfsleider uit het buitenland aan te werven. 3 A.2.1. Op verzoek van het Hof hebben de verzoekende partijen en de Ministerraad in een aanvullende memorie hun standpunt meegedeeld over de impact van de artikelen 3, 4, 41 en 46 van de wet van 21 december 2022 « houdende diverse fiscale bepalingen » op het beroep tot vernietiging en meer bepaald over de vraag in welk opzicht die vernietiging de verzoekende partijen nog een voordeel kan opleveren, rekening houdend met de voormelde artikelen. A.2.2. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partijen geen belang meer hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, aangezien de wet van 21 december 2022 het personele toepassingsgebied van het bijzondere belastingstelsel voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers retroactief heeft uitgebreid tot stichtingen en instellingen van openbaar nut, alsook voor die rechtspersonen heeft voorzien in een bijkomende termijn om een aanvraag in te dienen om dat bijzondere belastingstelsel te kunnen genieten. A.2.3. De verzoekende partijen erkennen dat zij ingevolge de wijziging van de bestreden bepalingen door de artikelen 3, 4, 41 en 46 van de wet van 21 december 2022 geen voordeel of belang meer hebben bij hun beroep tot vernietiging. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2, van de programmawet van 27 december 2021, die de artikelen 13 tot 19 omvat. De bestreden bepalingen voegen in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992) bijzondere belastingstelsels in voor, enerzijds, ingekomen belastingplichtigen en, anderzijds, ingekomen onderzoekers. B.1.2. De artikelen 32/1, 32/2, 240ter en 240quater van het WIB 1992, zoals ingevoegd bij de bestreden artikelen 13 tot 16 van de programmawet van 27 december 2021, bepalen : « Art. 32/1. § 1. In hoofde van ingekomen belastingplichtigen die in artikel 30, 1° of 2°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, wordt het ten laste nemen van bepaalde kosten door de werkgever of de vennootschap beschouwd als een terugbetaling van eigen kosten van de werkgever binnen de voorwaarden en binnen de grenzen voorzien in dit artikel. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘ eigen kosten van de werkgever ’ verstaan, in het geval van een werknemer, de eigen kosten van de werkgever en, in het geval van een bedrijfsleider, de eigen kosten van de vennootschap waarbinnen een mandaat of soortgelijke functies worden uitgeoefend. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘ bedrijfsleider ’ een natuurlijke persoon verstaan, die een mandaat of soortgelijke functies zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, 4 uitoefent en belast is met het dagelijks bestuur van de onderneming of in de onderneming een functie of werkzaamheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 2° uitoefent, uitgezonderd een natuurlijke persoon die een dergelijk mandaat, functie of werkzaamheid uitoefent in de eigen onderneming waarvan hij oprichter of medeoprichter is of waarin hij aandelen bezit die 30 pct. of meer van het kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen. § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘ ingekomen belastingplichtige ’, verstaan : 1° de werknemer of bedrijfsleider die rechtstreeks wordt aangeworven in het buitenland door een binnenlandse vennootschap, door een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap of door een in artikel 1:6, § 2, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde vereniging met rechtspersoonlijkheid, met het doel er een in België belastbare bezoldigde activiteit uit te oefenen; 2° de werknemer of bedrijfsleider die door een buitenlandse onderneming die deel uitmaakt van een multinationale groep ter beschikking wordt gesteld van één of meer binnenlandse vennootschappen, van één of meer Belgische inrichtingen van een buitenlandse vennootschap die tot dezelfde multinationale groep behoren, of van een in artikel 1:6, § 2, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde vereniging met rechtspersoonlijkheid, teneinde een bezoldigde activiteit in België uit te oefenen. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘ multinationale groep ’, elke groep verstaan die twee of meer...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT