Jugement/arrêt, Cour constitutionnelle (Cour d'arbitrage), 2022-12-08

JurisdictionBélgica
CourtGrondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Judgment Date08 décembre 2022
ECLIECLI:BE:GHCC:2022:ARR.161
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.161
Docket Number161/2022
Grondwettelijk Hof Arrest nr. 161/2022 van 8 december 2022 Rolnummer : 7601 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 186, § 1, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Raad van State Het Grondwettelijk Hof samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, D. Pieters, E. Bribosia en W. Verrijdt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul wijst na beraad het volgende arrest I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest nr. 250.617 van 18 mei 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 juni 2021, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Is artikel 186, § 1, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek strijdig met de artikelen 13 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre het zou worden gelezen in die zin dat het enkel van toepassing is op een zaakverdelingsreglement waarbij één enkele afdeling exclusief bevoegd wordt gemaakt voor bepaalde categorieën van zaken, en niet twee of drie afdelingen binnen een zeer groot gerechtelijk arrondissement ? 2. Is artikel 186, § 1, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 11 augustus 2017 houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht, in zoverre het een exclusieve toekenning mogelijk maakt ‘ van vorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit een insolventieprocedure bedoeld in Boek XX van het Wetboek van economisch recht, waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat van toepassing is op het stelsel van de insolventie ’, strijdig met de artikelen 13 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het 2 Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de « Ordre des Barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 21 september 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 oktober 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 12 oktober 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 9 november 2022. Op de openbare terechtzitting van 9 november 2022 : - zijn verschenen : . Mr. M. Kaiser, voor de « Ordre des Barreaux francophones et germanophone »; . Mr. P. Minsier, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Schaffner, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Bribosia en D. Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 25 mei 2018 heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bij de Raad van State, een verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend tegen het koninklijk besluit van 18 maart 2018 « tot vaststelling van het zaakverdelingsreglement van de ondernemingsrechtbank te Luik en tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 maart 2014 betreffende de verdeling van de arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de ondernemingsrechtbanken en de politierechtbanken in afdelingen » (hierna : het koninklijk besluit van 18 maart 2018). 3 De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat het koninklijk besluit van 18 maart 2018 onregelmatig is, met name in zoverre het exclusieve bevoegdheden toewijst aan drie afdelingen van de Ondernemingsrechtbank te Luik in aangelegenheden die niet worden aangehaald in artikel 186, § 1, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Zij is bovendien van mening dat die wetsbepaling, indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat de waarborgen die zij biedt, enkel betrekking hebben op de toewijzing van exclusieve bevoegdheden aan één enkele afdeling van een rechtbank en niet op de toewijzing van exclusieve bevoegdheden aan een of meerdere afdelingen van een rechtbank, verschillende artikelen van de Grondwet schendt. Het verwijzende rechtscollege stelt daarom aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen A.1.1. De Ministerraad betoogt dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven, aangezien het bij de lezing ervan onmogelijk is om te begrijpen in welk opzicht de referentienormen zouden zijn geschonden. Het verwijzende rechtscollege preciseert bovendien niet in welk opzicht het antwoord op de twee vragen nuttig zou zijn om zich uit te spreken over het middel dat de verzoekende partij voor dat rechtscollege aanvoert. A.1.2. De Ministerraad doet gelden dat de artikelen 13 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet klaarblijkelijk niet zijn geschonden zodat het Hof de schending van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet kan vaststellen, aangezien het niet bevoegd is om een wetskrachtige bepaling rechtstreeks te toetsen aan bepalingen van internationaal recht. Hij is van mening dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te dezen in elk geval niet van toepassing is, aangezien er geen voldoende aanknopingspunt met de tenuitvoerlegging van het Unierecht bestaat. A.1.3. De Ministerraad erkent in ondergeschikte orde dat artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het recht op toegang tot de rechter waarborgt. Hij is van mening dat daaruit kan worden afgeleid dat de prejudiciële vragen tot doel hebben na te gaan of de in het geding zijnde bepaling niet tot gevolg heeft dat de toegang tot justitie wordt belemmerd. De Ministerraad is evenwel van mening dat noch de argumenten van de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, noch de motieven van het verwijzingsarrest toelaten om te begrijpen in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling de toegang tot justitie belemmert. A.2. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » antwoordt dat het vaste rechtspraak is dat artikel 13 van de Grondwet het recht op toegang tot de bevoegde rechter waarborgt. Het recht op toegang tot de rechter wordt ook gewaarborgd door de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.3.1. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » is van oordeel dat artikel 186, § 1, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op de uitvaardiging van een koninklijk besluit tot vaststelling van de regeling van afdelingen binnen een rechtscollege, ongeacht of het aan één afdeling of aan meerdere afdelingen een exclusieve bevoegdheid in bepaalde aangelegenheden toewijst. Zij leidt daaruit af dat de prejudiciële vraag op een foutieve interpretatie van de in het geding zijnde bepaling berust en dat zij dus geen 4 antwoord behoeft. Indien het Hof hierover anders besluit, verzoekt zij het Hof te oordelen dat de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie die zij voorstelt, de in de prejudiciële vraag genoemde referentienormen niet schendt, terwijl zij in de door het verwijzende rechtscollege voorgelegde interpretatie die normen wel zou schenden. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » zet uiteen dat haar interpretatie van de in het geding zijnde bepaling op drie redenen berust. A.3.2. Ten eerste herinnert zij eraan dat de afdeling wetgeving van de Raad van State rekening had gehouden met het feit dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 december 2013 « tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT