Jugement/arrêt, Cour constitutionnelle (Cour d'arbitrage), 2022-12-01

JurisdictionBélgica
CourtGrondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Judgment Date01 décembre 2022
ECLIECLI:BE:GHCC:2022:ARR.158
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.158
Docket Number158/2022
Grondwettelijk Hof Arrest nr. 158/2022 van 1 december 2022 Rolnummers : 7732 en 7733 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen II.18 en II.21 van het Vlaamse Bestuursdecreet van 7 december 2018, gesteld door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen Het Grondwettelijk Hof samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters Y. Kherbache, T. Detienne, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen wijst na beraad het volgende arrest I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij twee arresten van 17 december 2021 en 3 januari 2022, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 18 januari 2022, heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen II.18 en II.21 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat studenten in het hoger onderwijs dat niet door de Vlaamse Gemeenschap of een lokale overheid wordt ingericht, niet genieten van de in artikel II.21 van het Bestuursdecreet opgenomen rechtsbescherming van een verlenging van de beroepstermijn ingeval van een onjuiste mededeling van de beroepsmodaliteiten in een studievoortgangsbeslissing, terwijl die rechtsbescherming wél wordt geboden aan studenten in het hoger onderwijs dat door de Vlaamse Gemeenschap of een lokale overheid wordt ingericht, aan leerlingen in het gefinancierd of gesubsidieerd officieel basis- en secundair onderwijs, of middels artikel 19, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor studenten in het hoger onderwijs die beroep instellen tegen een beslissing die geen studievoortgangsbeslissing is ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7732 en 7733 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. 2 Memories zijn ingediend door : - Oussama El Ouaamari, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Vangeel, advocaat bij de balie van Antwerpen (in de zaak nr. 7733); - de Universiteit Antwerpen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Minnen, advocaat bij de balie van Antwerpen (in de zaak nr. 7733); - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Ronse en Mr. T. Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen (in beide zaken). De Vlaamse Regering heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 12 oktober 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers W. Verrijdt en T. Detienne te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 26 oktober 2022 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 26 oktober 2022 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de zaak nr. 7732 vordert de verzoekster voor het verwijzende rechtscollege de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie voor het curriculum van de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Gent, waarbij het intern beroep van de verzoekster tegen de weigering van haar aanvraag om in het academiejaar 2021-2022 69 studiepunten op te nemen, onontvankelijk wordt verklaard wegens laattijdigheid. In de zaak nr. 7733 vordert de verzoeker voor het verwijzende rechtscollege de nietigverklaring van de beslissing van de interne beroepsinstantie van de Universiteit Antwerpen, waarbij het intern beroep van de verzoeker tegen het examencijfer voor het opleidingsonderdeel « Bachelorproef Elektromechanica », onontvankelijk wordt verklaard wegens laattijdigheid. In beide zaken stelt het verwijzende rechtscollege vast dat in de bestreden beslissing de beroepsmodaliteiten niet op een correcte wijze werden vermeld. Het verwijzende rechtscollege stelt eveneens vast dat onder het vroeger van toepassing zijnde artikel 35 van het decreet van 26 maart 2004 « betreffende de openbaarheid van bestuur » het misschien zou hebben geoordeeld dat de termijn om een intern beroep in te stellen, niet is ingegaan. Het leidt uit de tekst van het thans van kracht zijnde Vlaamse Bestuursdecreet van 7 december 2018 evenwel af dat instellingen van het hoger onderwijs, ongeacht of zij publiekrechtelijk zijn, dan wel steunend op privaat initiatief, buiten het toepassingsgebied van artikel II.21 van het voormelde decreet vallen, zodat de studenten van die instellingen geen beroep kunnen doen op de rechtsbescherming die die bepaling biedt. Aangezien die rechtsbescherming wel wordt geboden aan studenten in het hoger onderwijs dat door de Vlaamse Gemeenschap of een lokale overheid wordt ingericht, aan leerlingen in het gefinancierd of gesubsidieerd officieel basis- en secundair onderwijs, of middels artikel 19, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, voor studenten in het hoger onderwijs die een beroep instellen tegen een beslissing die geen studievoortgangsbeslissing is, stelt het verwijzende rechtscollege de voormelde prejudiciële vragen. 3 III. In rechte -A- A.1. De verzoeker in de zaak nr. 7733 voert aan dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor de in de prejudiciële vraag weergegeven verschillen in behandeling, zodat de artikelen II.18 en II.21 van het Vlaamse Bestuursdecreet van 7 december 2018 niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2. De Universiteit Antwerpen gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. A.3. De Vlaamse Regering is van mening dat de in de prejudiciële vragen vermelde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn, minstens dat de weergegeven verschillen in behandeling hun grondslag niet...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT