Jugement/arrêt, Cour constitutionnelle (Cour d'arbitrage), 2022-12-01

JurisdictionBélgica
CourtGrondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Judgment Date01 décembre 2022
ECLIECLI:BE:GHCC:2022:ARR.160
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.160
Docket Number160/2022
Grondwettelijk Hof Arrest nr. 160/2022 van 1 december 2022 Rolnummer : 7840 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 187, § 6, 1°, en § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik Het Grondwettelijk Hof samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul wijst na beraad het volgende arrest I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 9 januari 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 juli 2022, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 187, § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, geïnterpreteerd in die zin dat het het rechtscollege in hoger beroep, waarvan de saisine betrekking heeft op het als gedaan beschouwde karakter van het verzet, verhindert zich uit te spreken over de grond van de zaak indien dat rechtscollege in hoger beroep van mening is dat de eerste rechter ten onrechte een verzet als gedaan heeft beschouwd, de artikelen 12, 13 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de legitieme verwachtingen dwarsboomt van de rechtzoekende wiens veroordeling op verzet werd herzien en die de op dat verzet genomen beslissing niet opnieuw in het geding wilde brengen ? Ontzegt artikel 187, § 6, 1 [lees : 1°], en § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, met schending van de artikelen 12 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag van New York inzake burgerrechten en politieke rechten, de beklaagde niet het daadwerkelijke karakter van de keuze voor het beroep dat hij heeft ingesteld tegen de bij verstek uitgesproken beslissing, aangezien, indien het rechtscollege in hoger beroep, op hoger beroep van de enige openbare partij, het verzet als ongedaan beschouwt, die beslissing inhoudt dat het verstekvonnis volledige uitwerking heeft terwijl het, in eerste aanleg, 2 werd betwist door de beklaagde die zich heeft neergelegd bij het vonnis dat is uitgesproken op zijn als gedaan beschouwde verzet ? Brengt artikel 187, § 6, 1 [lees : 1°], en § 9, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, in het stadium van de berechting, geen discriminatie met zich mee die niet objectief verantwoord is tussen de beklaagde, enerzijds, en het openbaar ministerie, anderzijds, ondanks de verschillende belangen die zij verdedigen, aangezien de eerstgenoemde niet over een jurisdictioneel beroep beschikt met betrekking tot het als ongedaan beschouwde karakter van het verzet terwijl de laatstgenoemde wel over een jurisdictioneel beroep beschikt met betrekking tot het als gedaan beschouwde karakter van datzelfde verzet, met schending van de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag van New York inzake burgerrechten en politieke rechten ? ». Op 18 augustus 2022 hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij het Hof van Beroep te Luik wordt door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de correctionele rechtbank Namen, afdeling Dinant, van 26 juli 2017. In dat vonnis heeft de correctionele rechtbank het verzet, dat door de beklaagde werd gedaan tegen het vonnis dat diezelfde Rechtbank bij verstek had gewezen op 6 juni 2017, en waarbij hij werd veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf, als gedaan beschouwd. In haar vonnis op verzet veroordeelt de correctionele rechtbank Namen, afdeling Dinant, de beklaagde tot een werkstraf van negentig uur. Voor het Hof van Beroep te Luik voert het openbaar ministerie aan dat...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT