Jugement/arrêt, Cour constitutionnelle (Cour d'arbitrage), 2022-11-10

JurisdictionBélgica
CourtGrondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Judgment Date10 novembre 2022
ECLIECLI:BE:GHCC:2022:ARR.145
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.145
Docket Number145/2022
Grondwettelijk Hof Arrest nr. 145/2022 van 10 november 2022 Rolnummer : 7688 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 59 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (aanslagjaren 2017 en 2018), gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Het Grondwettelijk Hof samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, M. Pâques, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen wijst na beraad het volgende arrest I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 24 november 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 december 2021, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 59 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 (zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2017 en 2018), aldus geïnterpreteerd dat bij de berekening van de 80%-grens steeds rekening moet worden gehouden met de extrawettelijke pensioenen die reeds buiten de onderneming werden opgebouwd (ook wanneer de onderneming geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid voorzien in artikel 35, § 3 KBWIB92 om de vroegere (maximaal 10 jaar) beroepswerkzaamheid buiten de onderneming te valoriseren), het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 alsmede de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, doordat het een onverantwoord onderscheid creëert tussen ondernemingen die in het kader van een individuele pensioentoezeggingsovereenkomst ten behoeve van hun bedrijfsleider premies storten, waarbij de ene onderneming de premies niet als beroepskost kan aftrekken omdat haar bedrijfsleider al gedeeltelijk een extrawettelijk pensioenkapitaal heeft opgebouwd buiten de onderneming, terwijl de andere onderneming de premies wel als beroepskost kan aftrekken omdat haar bedrijfsleider gedurende zijn volledige loopbaan bij deze onderneming werkzaam is, in acht genomen dat voor de beide bedrijfsleiders finaal (dus over een volledige beroepsloopbaan van 40 jaar) eenzelfde extrawettelijk pensioenkapitaal (dus van dezelfde omvang) wordt opgebouwd ? ». 2 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de bv « Carrix », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Hendrickx, advocaat bij de balie te Brussel; - de vzw « Assuralia », de nv « AG Insurance », de nv « Allianz Benelux », de nv « AXA Belgium », de nv « Baloise Belgium », de nv « KBC Verzekeringen » en de cv « P&V Verzekeringen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Huyghe en Mr. M. Krug, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Leyns, advocaat bij de balie te Gent. Bij beschikking van 13 juli 2022 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 augustus 2022 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge de verzoeken van verschillende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 22 augustus 2022 de dag van de terechtzitting bepaald op 21 september 2022. Op de openbare terechtzitting van 21 september 2022 : - zijn verschenen : . Mr. C. Hendrickx, voor de bv « Carrix »; . Mr. A. Huyghe en Mr. M. Krug, voor de vzw « Assuralia », de nv « AG Insurance », de nv « Allianz Benelux », de nv « AXA Belgium », de nv « Baloise Belgium », de nv « KBC Verzekeringen » en de cv « P&V Verzekeringen » (tussenkomende partijen); . Mr. G. Leyns, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De bv « Carrix » sloot met ingang van februari 2016 ten gunste van haar bedrijfsleider, die haar sinds haar oprichting in 2006 had geleid, een individuele pensioentoezeggingsovereenkomst (hierna : IPT-overeenkomst). De onderneming besliste om in 2016 zowel een jaarlijkse recurrente premie te storten, als een premie ter compensatie voor de jaren gepresteerd in de onderneming vóór het afsluiten van de IPT-overeenkomst (de zogenaamde « backservice »). De jaarlijkse recurrente premie werd bepaald op 5 830,96 euro (met inbegrip van een premie aanvullende waarborg van 830,96 euro) en de premie ter compensatie voor de jaren gepresteerd in de onderneming vóór het afsluiten van de IPT-overeenkomst op 41 000 euro. In 2017 stortte de onderneming de recurrente premie van 5 830,96 euro. De onderneming bracht de betaalde premies in aftrek als beroepskosten voor de aanslagjaren 2017 en 2018. Bij berichten van wijziging van 8 november 2019 inzake aanslagjaar 2017 en aanslagjaar 2018 verwierp de fiscale administratie de aftrek van de hiervoor vermelde premies wegens overschrijding van de 80 %-grens. Op 18 december 2019 en 13 januari 2020 vestigde de administratie ten laste van de onderneming een aanvullende aanslag in de vennootschapsbelasting. De onderneming diende tegen beide aanvullende aanslagen een gemotiveerd bezwaarschrift in. Bij administratieve beslissing van 20 maart 2020 werd het bezwaarschrift ingewilligd voor wat betreft het gedeelte van de premie aanvullende waarborg (830,96 euro) voor aanslagjaren 2017 en 2018. Voor het overige wees de administratie het bezwaarschrift af. Op 22 juni 2020 maakte de onderneming de zaak aanhangig bij de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zijnde de verwijzende rechter. De verwijzende rechter stelt vast dat de partijen twisten over de aftrekbaarheid van de premies die de onderneming heeft gestort in het kader van de IPT-overeenkomst, en in het bijzonder over de berekeningsmethode van de 80 %-grens. Artikel 59, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992) bepaalt dat de werkgeversbijdragen en –premies, gestort ter uitvoering van een collectieve of individuele pensioentoezegging, slechts als beroepskosten worden afgetrokken op voorwaarde dat de wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, niet meer bedragen dan 80 % van de laatste normale brutojaarbezoldiging en moeten die worden berekend op basis van de normale duur van een beroepswerkzaamheid. De fiscale administratie is de mening toegedaan dat bij de berekening van die 80 %-grens steeds moeten worden rekening gehouden met alle bovenwettelijke uitkeringen die reeds buiten de betrokken onderneming werden opgebouwd. Volgens de onderneming moet enkel met die uitkeringen worden rekening gehouden voor zover zij binnen de onderneming voor de bedrijfsleider worden gevaloriseerd met toepassing van artikel 35, § 3, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 1992. Volgens de verwijzende rechter vloeit uit de interpretatie die de fiscale administratie aan artikel 59 van het WIB 1992 verleent, een ongelijke behandeling voort tussen twee categorieën van ondernemingen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Zo leidt de visie van de administratie ertoe dat de premies die een onderneming stort in het kader van een IPT-overeenkomst ten behoeve van een bedrijfsleider die gedurende zijn volledige loopbaan bij de onderneming werkzaam is geweest wel aftrekbaar zijn, terwijl de premies die een onderneming stort ten behoeve van een bedrijfsleider die al een aanvullend pensioenkapitaal buiten de betrokken onderneming heeft opgebouwd niet aftrekbaar zijn. Aangezien bij de verwijzende rechter de vraag rijst of dat verschil in behandeling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11, alsmede de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, beslist hij de hiervoor vermelde prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen. III. In rechte -A- A.1.1. In zijn memorie stelt de Ministerraad dat bij de berekening van de 80 %-grens voor de aftrekbaarheid van werkgeversbijdragen en –premies die verband houden met aanvullende pensioentoezeggingen, rekening moet worden gehouden met het totale bedrag van de wettelijke pensioenen en van de op jaarbasis berekende extrawettelijke pensioenen. Volgens de Ministerraad vloeit uit artikel 59, § 1, eerste lid, 2°, en § 4, van het 4 WIB 1992 voort dat alle wettelijke en extrawettelijke pensioenen in aanmerking moeten worden genomen bij de toetsing aan de 80 %-grens en dus niet enkel de extrawettelijke pensioenen die tijdens de actuele beroepswerkzaamheid worden opgebouwd. Dat stemt ook overeen met de doelstelling van de wetgever, namelijk het vermijden dat met belastingvrijstelling abnormaal hoge pensioenkapitalen worden gevormd. Indien geen rekening zou worden gehouden met aanvullend pensioenkapitaal dat bij een vorige onderneming opgebouwd werd, kan er ten behoeve van een bedrijfsleider een groter aanvullend pensioenkapitaal worden opgebouwd via in de vennootschapsbelasting aftrekbare werkgeversbijdragen dan datgene waarin is voorzien bij artikel 59, § 1, eerste lid, 2°, van het WIB 1992, terwijl de doelstelling van de 80 %-grens net is om de opbouw van buitensporige pensioenen via fiscaal aftrekbare premies te vermijden. A.1.2. Volgens de Ministerraad is de prejudiciële vraag niet dienstig voor het beslechten van het geschil ten gronde, en behoeft ze om die reden geen antwoord. Hij wijst erop dat voor de bedrijfsleider van de bv « Carrix » reeds een aanvullend pensioenkapitaal was opgebouwd dat in elk geval de 80 %-grens overschrijdt. Ook indien de bedrijfsleider een volledige loopbaan zou hebben gehad bij...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT