Jugement/arrêt, Cour constitutionnelle (Cour d'arbitrage), 2024-01-18

JurisdictionBélgica
Judgment Date18 janvier 2024
ECLIECLI:BE:GHCC:2024:ARR.008
Link to Original Sourcehttps://juportal.be/content/ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.008
Docket Number8/2024
CourtGrondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Grondwettelijk Hof Arrest nr. 8/2024 van 18 januari 2024 Rolnummer : 7937 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 6.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, gesteld door de Vrederechter van het kanton Veurne Het Grondwettelijk Hof samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen wijst na beraad het volgende arrest I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 14 februari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 februari 2023, heeft de Vrederechter van het kanton Veurne de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 6.21 van de Vlaamse Codex Wonen 2021 de artikelen 10, 11, 22 en/of 23 van de Grondwet in die zin geïnterpreteerd dat er voor de eigendomsvoorwaarden die bij sociale woninghuur opgelegd worden aan een huurder een onderscheid wordt gemaakt tussen een huurder die ingevolge erfenis en/of lening en/of sparen met deze gelden een onroerend goed aankoopt en een huurder die de gelden die hij in de zelfde omstandigheden erft en/of leent en/of spaart niet gebruikt om een onroerend goed aan te kopen ? ». Memories zijn ingediend door : - de cv « Woonmaatschappij IJzer en Zee », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. I. Feys, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - A.S. en N.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Waeyaert, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; 2 - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Roets, Mr. E. Cloots en Mr. S. Sottiaux, advocaten bij de balie van Antwerpen. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de cv « Woonmaatschappij IJzer en Zee »; - de Vlaamse Regering. Bij beschikking van 20 september 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 4 oktober 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 4 oktober 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Met ingang van 1 januari 2006 gaf de cv « Woonmaatschappij IJzer & Zee » een onroerend goed, gelegen te Adinkerke, in sociale woninghuur voor onbepaalde duur aan A.S en zijn echtgenote N.M. Uit onderzoek uitgevoerd door een van externe partner, de bv « Focus Handhaving », op verzoek van de sociale woonmaatschappij, bleek dat A.S. en N.M. op 4 november 2014 een woning in Angad (Marokko) aangekocht hadden. De echtgenoten zijn elk voor 50 % eigenaar van de woning. De cv « Woonmaatschappij IJzer & Zee » heeft om die reden bij aangetekende brief van 21 februari 2022 de huurovereenkomst opgezegd en de huurders in gebreke gesteld om de onterecht verkregen sociale correctie op de huurprijs terug te betalen. De huurders hebben via een schrijven van 9 maart 2022 meegedeeld dat zij eind mei 2022 de woning zouden verlaten, onder voorbehoud van al hun rechten, hetgeen zij effectief hebben gedaan. Op 1 april 2022 heeft de cv « Woonmaatschappij IJzer & Zee » een procedure tegen A.S. en N.M. ingeleid voor het Vredegerecht van het kanton Veurne. De eisende partij vordert de beëindiging van de huurovereenkomst met toepassing van artikel 6.33, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, in samenhang gelezen met artikel 6.21 van diezelfde Codex. Zij vordert ook de terugbetaling van de onterecht verkregen sociale correctie op de huurprijs. De verwerende partijen stellen geen tegenvordering in, maar zij vragen wel om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. Zij voeren voor het verwijzende rechtscollege aan dat zij het onroerend goed hebben betaald met de erfenis van N.M. na het overlijden van haar vader, en met een lening die A.S. en N.M. op 6 december 2012 hadden afgesloten bij de bank. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat de inschrijvings- en toelatingsvoorwaarden met betrekking tot een sociale huurwoning bepalen in welke mate onroerend bezit van de huurder toegelaten is en wat de grenzen van het referentie-inkomen zijn die niet overschreden mogen worden. Het verwijzende rechtscollege stelt tegelijk vast dat er geen rekening wordt gehouden met het « gespaarde » roerende vermogen. De verwerende partijen in het bodemgeschil voeren aan dat er, wat betreft de eigendomsvoorwaarden voor een sociale woning, sprake is van een ongelijke behandeling tussen, enerzijds, personen die met financiële middelen die voortvloeien uit een erfenis en/of sparen en/of een lening een onroerend goed aankopen en, anderzijds, personen die diezelfde financiële middelen, voortvloeiend uit een erfenis en/of sparen en/of een lening, gewoon bewaren. Zij verzoeken het verwijzende rechtscollege ter zake een prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen. Het verwijzende 3 rechtscollege is van oordeel dat er dient te worden ingegaan op de vraag om over het voormelde verschil in behandeling een prejudiciële vraag te stellen. Het voorgaande heeft het verwijzende rechtscollege ertoe gebracht de voormelde prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. III. In rechte -A- A.1.1. De Vlaamse Regering voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag minstens deels onontvankelijk is. Zij voert aan dat de interpretatie die het verwijzende rechtscollege geeft aan artikel 6.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, klaarblijkelijk niet (geheel) voortvloeit uit de bewoordingen van die bepaling zelf, maar berust op een appreciatie van het verwijzende rechtscollege van de uitvoering van die bepaling door de Vlaamse Regering. Het komt niet aan het Hof toe zich – onder het mom van een « interpretatie » van een decretale norm – uit te spreken over de (grond)wettigheid van de wijze waarop de Vlaamse Regering de geviseerde norm heeft uitgevoerd. Zij betoogt dat minstens de prejudiciële vraag zodanig dient te worden geherformuleerd dat enkel wordt nagegaan of het verschil in behandeling – waarbij artikel 6.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, in samenhang gelezen met artikelen 6.11 en 6.8, § 1, eerste lid, 2°, van dezelfde Codex, de Vlaamse Regering enkel zou toestaan om bij de nadere invulling van de inschrijvings- en toelatingsvoorwaarden voor een sociale woning wel rekening te houden met het onroerend...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT