CODEX DEONTOLOGIE VOOR ADVOCATEN, van 25 juni 2014

 
GRATIS UITTREKSEL

DEEL I. - ESSENTIELE PLICHTEN VAN DE ADVOCAAT

HOOFDSTUK I.1. - Essentiële plichten

Art. I.1.1. De advocaat oefent zijn beroep op deskundige wijze uit met eerbiediging van het beroepsgeheim, van de essentiële plichten van onafhankelijkheid en partijdigheid, en met het vermijden van belangenconflicten. Hij eerbiedigt de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, die aan het beroep ten grondslag liggen.

HOOFDSTUK I.2. - Onafhankelijkheid

Afdeling I.2.1. - Onafhankelijkheid

Art. I.2.1.1. De verplichtingen die op de advocaat rusten, vereisen de absolute onafhankelijkheid van de advocaat, vrij van alle druk, in het bijzonder van de druk van eigen belangen of van beïnvloeding van buitenaf. De advocaat moet elke aantasting van zijn onafhankelijkheid vermijden en mag de beroepsethiek niet veronachtzamen om de cliënt, de rechter of derden welgevallig te zijn.

De onafhankelijkheid is bij alle werkzaamheden noodzakelijk.

Art. I.2.1.2. De advocaat behandelt geen zaken van of tegen naaste familieleden of treedt niet op voor personen die met hem samenwonen of nauw verbonden zijn met die samenwonenden.

Afdeling I.2.2. - Partijdigheid

Art. I.2.2.1. Met inachtneming van de wettelijke regels en de beroeps- en gedragsregels is de advocaat steeds verplicht de belangen van de cliënt zo goed mogelijk te behartigen en die boven zijn eigen belangen of die van derden te stellen.

Afdeling I.2.3. - Tegenstrijdige belangen

Art. I.2.3.1. § 1 De advocaat kan niet optreden wanneer dat aanleiding geeft tot een belangenconflict tussen de advocaat en een cliënt of tot een wezenlijke dreiging daartoe.

§ 2 De advocaat kan niet optreden voor meer dan één cliënt, indien er een belangenconflict tussen die cliënten bestaat of een wezenlijke dreiging daartoe, tenzij en zolang aan de voorwaarden van art. I.2.3.2 wordt voldaan.

Art. I.2.3.2. § 1 Een advocaat mag evenwel optreden voor meerdere cliënten tussen wie er een belangenconflict bestaat of dreigt te ontstaan:

- indien de betrokken cliënten na schriftelijk te zijn ingelicht hun akkoord schriftelijk bevestigen, en

- zolang er geen gevaar bestaat voor schending van zijn beroepsgeheim, noch van zijn onafhankelijkheid, en

- zolang tussen die cliënten geen vordering voor de rechtbank of voor een scheidsgerecht wordt vervolgd betreffende het voorwerp van de door hen gevraagde tussenkomst.

§ 2 Wanneer meerdere cliënten tussen wie een belangenconflict bestaat of dreigt te ontstaan, maar die in eenzelfde aangelegenheid een gemeenschappelijk belang hebben, zich voor de verdediging van dat gemeenschappelijk belang tot de advocaat wenden, kan hij voor die cliënten slechts optreden voor een rechtbank of een scheidsgerecht of rechtscollege, indien:

- de cliënten schriftelijk akkoord gaan, en

- de advocaat oordeelt dat de belangentegenstelling of het risico daartoe hem niet belemmert de belangen van alle betrokken cliënten naar beste vermogen te behartigen zonder schending van het beroepsgeheim en onafhankelijkheid.

Art. I.2.3.3. De advocaat mag geen zaak van een nieuwe cliënt op zich nemen, indien de geheimhouding van de vertrouwelijke informatie die hij van een andere cliënt heeft verkregen, dreigt te worden aangetast.

Art. 1.2.3.4. De advocaat mag wel optreden wanneer het bekend is dat de cliënt systematisch een beroep doet op verschillende advocaten en in die zaak een andere advocaat zal aanstellen. Alleszins zal de advocaat zich dan ook onthouden van verder op te treden indien zijn tussenkomst gepaard zou gaan met een inbreuk op zijn beroepsgeheim of zijn onafhankelijkheid.

Art. I.2.3.5. § 1 De artikelen I.2.3.1 t.e.m. I.2.3.4 zijn van toepassing op de advocaat, zijn medewerkers en zijn stagiairs.

§ 2 Als advocaten het beroep in associatie of groepering uitoefenen, zijn de artikelen I.2.3.1 tot en met I.2.3.4 van toepassing zowel op de groep in zijn geheel als op haar individuele leden en op de stagiairs en medewerkers van de advocaten.

Afdeling I.2.4. - Optreden voor kantoorgenoten

Art. I.2.4.1. De advocaat die in een geschil de belangen verdedigt van een andere advocaat, mag geen deel uitmaken van de groepering of associatie waartoe de betrokken advocaat behoort, noch zijn medewerker of stagiair zijn of hebben meegewerkt in de zaak waarover het geschil loopt.

Afdeling I.2.5. - Onverenigbaarheden

Art. I.2.5.1. De uitoefening van het beroep van advocaat is onverenigbaar met elke activiteit die de kernwaarden van de advocatuur en het publieke vertrouwen in de advocatuur in het gedrang kan brengen.

De onverenigbaarheden of verboden in dit hoofdstuk betreffen niet alleen de advocaat maar ook de advocaten die in een groepering of associatie met hem werken, zijn medewerkers en/of stagiairs.

Art. I.2.5.2. Advocaten die lid zijn van de uitvoerende macht (een federale, gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke overheid) mogen niet pleiten of optreden in zaken in het belang van of tegen de overheid waar zij verkozen of benoemd zijn. Dat mag niet tijdens hun mandaat of benoeming. Dat mag ook niet tijdens een periode van twee jaren na het einde van hun mandaat of benoeming, behoudens de voorafgaande toestemming van de stafhouder.

Na het einde van hun mandaat of benoeming, mogen zij niet pleiten of optreden in dossiers waaraan zij hebben meegewerkt.

Art. I.2.5.3. Advocaten die een of meerdere departementen van een wetgevende of uitvoerende macht leiden of optreden als medewerker van zo'n leidinggevende persoon, onder welke benaming ook, mogen niet pleiten of optreden in zaken die onder de bevoegdheid van het departement vallen waardoor zij benoemd of aangesteld zijn. Dat mag niet tijdens hun ambt. Dat mag ook niet tijdens een periode van twee jaren na het einde van hun ambt, behoudens de voorafgaande toestemming van de stafhouder.

Na het einde van hun ambt mogen zij niet pleiten of optreden in dossiers waaraan zij hebben meegewerkt.

Art. I.2.5.4. In de gevallen bedoeld in artikel I.2.5.2 en I.2.5.3:

- meldt de advocaat voorafgaand en schriftelijk aan de stafhouder dat hij het mandaat of de benoeming heeft aanvaard en verstrekt hij de nodige inlichtingen over de wijze waarop zijn kantoor of zijn zaken in het kantoor waartoe hij behoort, beheerd zal/zullen worden;

- mogen de stukken en de correspondentie van het kantoor waartoe de advocaat behoort, zoals voorheen zijn naam blijven vermelden, behalve voor advocaten die een mandaat van regeringslid aanvaarden.

Behalve in zaken waar het de advocaat wel is toegelaten op te treden, ondertekent de betrokken advocaat de briefwisseling niet. De plaatsvervanger ondertekent dan de briefwisseling zonder vermelding van de naam van de betrokken advocaat.

Art. I.2.5.5.

  1. Onverminderd de bevoegdheid van de stafhouder om hiervan af te wijken, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk niet toepasselijk op arbiters, bemiddelaars of gerechtelijk mandatarissen.

  2. De advocaat kan een bestuursopdracht of een opdracht van vereffenaar in rechtspersonen aanvaarden.

  3. De advocaat kan een opdracht uitoefenen die het dagelijks bestuur omvat, alleen in professionele vennootschappen (vennootschappen die de uitoefening van het beroep van advocaat als doel hebben) of in rechtspersonen m.b.t. zijn patrimonium of zijn aandelen in een familiaal patrimonium (patrimoniumvennootschappen).

  4. De advocaat stelt de stafhouder schriftelijk in kennis van zijn voornemen om het aanbod of voorstel van een mandaat als hierboven vermeld te aanvaarden en deelt hem gelijktijdig een exemplaar mee van de statuten en eventueel het huishoudelijk reglement. Hij voegt daarbij de identiteit van de personen of rechtspersonen die deel uitmaken van het orgaan van bestuur en het orgaan van toezicht alsook van de aandeelhoudersstructuur en in deelgerechtigdheid en verstrekt alle bijkomende informatie die hem door de stafhouder wordt gevraagd.

  5. De advocaat brengt de stafhouder op de hoogte van wijzigingen indien zij rechtstreeks of onrechtstreeks invloed hebben op de uitoefening van het mandaat in overeenstemming met de bepalingen van dit hoofdstuk en van deze Codex in het algemeen.

  6. De advocaat mag het mandaat slechts aanvaarden nadat de stafhouder hem meedeelt dat er is voldaan aan bovenstaande informatieplicht.

    Art. I.2.5.6. De advocaat mag een rechtspersoon, die niet zijn professionele vennootschap of patrimoniumvennootschap is, waarvoor hij een mandaat uitoefent, voor de rechtbanken of scheidsgerechten vertegenwoordigen. Dat mag hij niet wanneer hij persoonlijk in de zaak betrokken is of kan zijn en/of de eerbaarheid of de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur in gevaar dreigt te komen.

    Art. I.2.5.7. De advocaat-assessor van de afdeling wetgeving van de Raad van State en zijn kantoorgenoten die een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten, mogen pleiten voor de afdeling bestuursrechtspraak.

    HOOFDSTUK I.3. - Het beroepsgeheim

    Afdeling I.3.1. - Principes

    Art. I.3.1.1. De advocaat is gehouden tot het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim strekt zich uit tot alle vertrouwelijke informatie die de advocaat in de uitvoering van zijn opdracht verneemt of vaststelt en geldt onbeperkt in de tijd.

    Art. I.3.1.2. De advocaat mag enkel vertrouwelijke informatie aan de rechtbanken, scheidsgerechten en derden verstrekken voor zover:

    - de vrijgave van die informatie relevant is, en

    - de vrijgave van die informatie in het belang van de cliënt is, en

    - de cliënt akkoord gaat met de vrijgave van die informatie, en

    - de vrijgave van die informatie niet wettelijk verboden is.

    Art. I.3.1.3. De advocaat is in alle omstandigheden gehouden tot kiesheid en handelt te allen tijde met de nodige discretie.

    Art. I.3.1.4. De advocaat zorgt ervoor dat zijn personeel en alle aangestelden en personen die met hem in beroepsverband samenwerken, het beroepsgeheim eerbiedigen. Als advocaten het beroep in samenwerkingsverband uitoefenen, zijn de artikelen I.3.1.1 tot en met I.3.1.3 van toepassing, zowel op het samenwerkingsverband in zijn geheel als op zijn individuele leden.

    Art. I.3.1.5. Het beroepsgeheim wordt niet...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT