Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van bruinrot in aardappelen (Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al.)

Gepubliceerd op:2014-01-26/20
 
GRATIS UITTREKSEL

HOOFDSTUK 1. - Omzetting

Artikel 1. Dit besluit is de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 98/57/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de bestrijding van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al.

HOOFDSTUK 2. - Definities

Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

  1. "het Agentschap" : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;

  2. "het organisme" : de voor bruinrot verantwoordelijke ziekteverwekker Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al., vroeger bekend als Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith;

  3. "het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal" : de in bijlage I, deel I, bij dit besluit vermelde waardplanten van het organisme;

  4. "het koninklijk besluit van 10 augustus 2005" : het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen.

    HOOFDSTUK 3. - Toezicht

    Art. 3. § 1. Het Agentschap verricht ieder jaar systematisch officiële onderzoeken voor het opsporen van het organisme op het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal dat afkomstig is van het Belgische grondgebied. Met het oog op de identificatie van mogelijke andere besmettingsbronnen die een bedreiging vormen voor de productie van het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal, voert het Agentschap in de productiegebieden van het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal een risicobeoordeling uit en, als daaruit een risico op verspreiding van het organisme naar voren komt, voert het gerichte officiële onderzoeken uit naar het organisme op andere planten dan het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal, inclusief in het wild voorkomende waardplanten van de nachtschadefamilie, alsmede zowel in het oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor beregening of bespuiting van het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal, als in het afvalwater dat wordt geloosd door industriële verwerkings- of verpakkingsbedrijven die in de lijst opgenomen plantaardig materiaal behandelen en dat wordt gebruikt voor beregening of bespuiting van het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal. De omvang van die gerichte onderzoeken wordt aan de hand van het vastgestelde risico bepaald.

    Het Agentschap kan eveneens officiële onderzoeken doen ter opsporing van het organisme op ander materiaal, zoals groeimedium, grond en vast afval van industriële verwerkings- of verpakkingsbedrijven.

    § 2. De in paragraaf 1 bedoelde officiële onderzoeken worden als volgt uitgevoerd :

  5. voor het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal, volgens de in bijlage I, deel II vermelde criteria;

  6. voor andere waardplanten dan het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal en voor water, inclusief afvalwater, overeenkomstig daartoe geëigende methoden, waarbij, in voorkomend geval, monsters worden genomen waarop tests worden gedaan in officiële laboratoria of onder officieel toezicht;

  7. waar nodig, voor ander materiaal : overeenkomstig de daartoe geëigende methoden.

    Op basis van gefundeerde wetenschappelijke en statistische beginselen en van de biologische kenmerken van het organisme en rekening houdend met de bijzondere productiesystemen voor het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal en, desgevallend, voor andere waardplanten van het organisme, legt het Agentschap de te volgen inspectieprocedures vast alsook waar, op welk tijdstip en hoeveel monsters moeten worden genomen en de samenstelling van de steekproef.

    HOOFDSTUK 4. - Vermoeden van besmetting

    Art. 4. § 1. Bij elke vermoede aanwezigheid van het organisme voor het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal ziet het Agentschap toe op de volledige afwikkeling van officiële of onder officieel toezicht verrichte laboratoriumtests volgens de in bijlage II beschreven relevante methode en conform de voorwaarden beschreven in bijlage III, punt 1 of, in alle andere gevallen volgens om het even welke andere officieel erkende methode met als doel die aanwezigheid te bevestigen of te ontkennen. Als de aanwezigheid van het organisme wordt bevestigd, zijn de bepalingen van bijlage III, punt 2, van toepassing.

    § 2. In afwachting van de bevestiging of de ontkenning van de in paragraaf 1 bedoelde vermoede aanwezigheid :

  8. is het verkeer van planten en knollen van alle gewassen, partijen of zendingen waarvan de monsters zijn genomen, verboden, tenzij onder toezicht van het Agentschap en op voorwaarde dat vaststaat dat er geen aanwijsbaar risico is dat het organisme zich kan verspreiden;

  9. treft het Agentschap de maatregelen die nodig zijn om de oorsprong van de vermoede aanwezigheid van het organisme te achterhalen;

  10. stelt het Agentschap, met name voor de productie van het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal en het verkeer van andere pootaardappelpartijen dan die bedoeld in a), die geteeld zijn op de productieplaats waar de in a) bedoelde monsters werden genomen, passende aanvullende, op de geraamde risicograad gesteunde voorzorgsmaatregelen in om elke verspreiding van het organisme te voorkomen.

    Het vorige lid is alleen van toepassing telkens wanneer

  11. diagnostische visuele symptomen zijn vastgesteld die de aanwezigheid doen veronderstellen van de door het organisme veroorzaakte ziekte alsook een positieve reactie op de in bijlage II, deel I, punt 1, en deel II nader omschreven snelle opsporingstest(s), of

  12. een positieve reactie werd vastgesteld op de in bijlage II, deel I, punt 2, en deel III nader omschreven opsporingstest(s).

    § 3. Indien bij vermoede aanwezigheid van het organisme een risico bestaat voor besmetting van het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal of het oppervlaktewater vanuit of naar een andere lidstaat, stelt het Agentschap de andere betrokken lidstaat of lidstaten onverwijld en al naargelang van het vastgestelde risico in kennis van de gegevens met betrekking tot die vermoede aanwezigheid.

    HOOFDSTUK 5. - Bevestiging van de besmetting

    Art. 5. § 1. Wanneer de officiële of onder officieel toezicht verrichte laboratoriumtests waarbij de in bijlage II beschreven relevante methode of, in alle overige gevallen, enige andere officieel erkende methode werd toegepast, de aanwezigheid van het organisme in het overeenkomstig dit besluit genomen monster bevestigen :

  13. als het gaat om in de lijst opgenomen plantaardig materiaal :

  14. stelt het Agentschap een onderzoek in om de omvang en de primaire bron(nen) van de besmetting te bepalen, overeenkomstig het bepaalde in bijlage IV en aan de hand van bijkomende tests overeenkomstig artikel 4, § 1, op ten minste alle voorraden van klonaal verwante pootaardappelen, en

    ii) verklaart het Agentschap besmet :

    1. het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal, de zending en/of de partij waarvan het monster is genomen, alsmede de machines, het voertuig, de container, de opslagplaats of delen daarvan, en enig ander voorwerp, inclusief de verpakkingen die in contact zijn geweest met het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal waarvan het monster werd genomen;

    2. indien van toepassing, het veld (de velden), de productie-eenheid (-eenheden) voor beschutte teelt en de productieplaats(en) waar het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal werd geoogst en waarvan het monster werd genomen;

    3. en voor de tijdens de groei genomen monsters, het(de) veld(en), de productieplaats(en) en, in voorkomend geval, de productie-eenheid (-eenheden) voor beschutte teelt waar het monster werd genomen, en

    iii) bepaalt het Agentschap, overeenkomstig het bepaalde in bijlage V, punt 1, de omvang van de waarschijnlijke besmetting hetzij door contact voor of na de oogst met besmet verklaarde elementen hetzij door verbanden met deze doorheen het productie-, beregenings- of bespuitingssysteem, hetzij door klonale verwantschap, en

    iv) bakent het Agentschap een zone af op basis van de in ii) bedoelde besmetverklaring, de in iii) bedoelde bepaling van de omvang van de waarschijnlijke besmetting en de mogelijke verspreiding van het organisme, overeenkomstig het bepaalde in bijlage V, punt 2, onder i);

  15. voor teelten van andere dan de in a) vermelde waardplanten en als de productie van het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal is geïdentificeerd als vatbaar voor een risico :

  16. stelt het Agentschap een onderzoek in overeenkomstig punt a), i), en

    ii) verklaart het Agentschap de waardplanten van het organisme, waarvan het monster werd genomen, besmet, en

    iii) bepaalt het Agentschap de omvang van de waarschijnlijke besmetting en bakent het een zone af overeenkomstig respectievelijk punt a), iii) en a) iv) ten aanzien van de productie van het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal;

  17. voor oppervlaktewater (inclusief de vloeibare effluenten van industriële verwerkings- of verpakkingsbedrijven die in de lijst opgenomen plantaardig materiaal behandelen) en daarbij horende in het wild groeiende waardplanten van de nachtschadefamilie en wanneer de productie van het in de lijst opgenomen plantaardig materiaal is geïdentificeerd als vatbaar voor een risico door hetzij beregening, hetzij bespuiting of overstroming met oppervlaktewater :

  18. stelt het Agentschap een onderzoek in met inbegrip van een officieel onderzoek, op de daartoe geschikte tijdstippen, van monsters van oppervlaktewater en van eventueel aanwezige in het wild groeiende waardplanten van de nachtschadefamilie om de omvang van de besmetting te bepalen, en

    ii) verklaart het Agentschap, voor zover nodig en op grond van het in punt i) bedoelde onderzoek, het oppervlaktewater waarvan het monster is of de monsters zijn genomen, besmet, en

    iii) bepaalt het Agentschap de omvang van de waarschijnlijke besmetting op basis van de in ii) bedoelde besmetverklaring en de mogelijke verspreiding van het organisme, rekening houdend met het bepaalde in bijlage V, punt 1 en punt 2, ii).

    Voor de toepassing van a), b) en c) houdt het Agentschap rekening met gefundeerde wetenschappelijke beginselen, de biologische kenmerken van het organisme en de gebruikelijke bijzondere systemen voor de productie, het in de handel brengen en de verwerking van de waardplanten van het organisme.

    § 2. De Minister bakent...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT