Wet inzake consulaire bevolkingsregisters en identiteitskaarten., van June 26, 2002

 
GRATIS UITTREKSEL

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de grondwet.

HOOFDSTUK I. - Consulaire bevolkingsregisters.

Art. 2. In elke consulaire beroepspost worden bevolkingsregisters gehouden. De Koning wijst de ereconsulaire posten aan waarin diezelfde registers worden bijgehouden.

De Belgen die in het ambtsgebied van de post hun hoofdverblijfplaats vestigen en niet opgenomen zijn in de bevolkingsregisters van een Belgische gemeente kunnen in deze registers ingeschreven worden.

Kunnen tevens worden ingeschreven, ter informatie, de vreemdelingen die deel uitmaken van het gezin van een Belg die in een bevolkingsregister van een consulaire beroepspost wordt ingeschreven en die in het ambtsgebied verblijven.

Art. 3. Naast de gegevens waarvan de wet uitdrukkelijk bepaalt dat ze geregistreerd moeten worden, vermelden de bevolkingsregisters de gegevens betreffende de identificatie en de lokalisatie van de ingeschreven en alsook de gegevens die noodzakelijk zijn voor de verbinding met de bestanden van de centrale administratie.

Binnen die grenzen bepaalt de Koning de aard van deze gegevens. De regels volgens welke voormelde gegevens kunnen worden meegedeeld aan derden zijn, mutatis, deze die van kracht zijn voor het meedelen van de gegevens vervat in de bevolkingsregisters in BelgiÎ.

De Koning bepaalt op welke manier de gegevens worden bijgehouden.

Art. 4. De hoofdverblijfplaats is de plaats waar de leden van een huishouden dat uit verschillende personen is samengesteld gewoonlijk leven, ongeacht of die personen al dan niet door verwantschap verbonden zijn, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft. De Koning stelt de aanvullende regels vast voor het bepalen van het hoofdverblijf.

Art. 5. De verandering van de hoofdverblijfplaats van de Belg in het buitenland wordt vastgesteld door een aangifte die is gedaan in de vorm voorgeschreven door de Koning, en overeenkomstig de regels die door de Minister van Buitenlandse Zaken terzake zijn vastgesteld.

Art. 6. ß 1. Bij moeilijkheden of betwistingen in verband met het hoofdverblijf in het buitenland, bepaalt de Minister van Buitenlandse Zaken, zonodig na onderzoek, de plaats ervan. De Minister kan deze bevoegdheid overdragen aan de ambtenaar die hij daartoe aanwijst.

ß 2. Indien er betwisting bestaat omtrent de vaststelling of het hoofdverblijf in het buitenland of BelgiÎ is, bepaalt de Minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort, de plaats ervan overeenkomstig...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT