Besluit van de Waalse Regering houdende sectorale voorwaarden voor windmolenparken met een totaalvermogen van 0,5 MW of meer en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten, van de ingedeelde installaties en activiteiten of van de installaties of activiteiten die een risico voor de bodem vormen, van April 27, 2021

 
GRATIS UITTREKSEL

HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en begripsomschrijving

Artikel 1. Deze sectorale voorwaarden zijn van toepassing op windmolenparken met een totaal vermogen gelijk aan of hoger dan 0,5 elektrische MW, bedoeld in de rubrieken 40.10.01.04.02 en 40.10.01.04.03 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten die een risico inhouden voor de bodem.

Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

  1. inkoopstation : de installatie die volledig deel uitmaakt van het windmolenpark en die voor de aansluiting zorgt van de kabels die elektriciteit uit windturbines in middenspanning vervoeren op de aansluitkabel van het elektriciteitsnet;

  2. geluidsreductie door het aanbrengen van "edge serrations": vrijwillige beperking van de draaisnelheid van de windturbine om het geëmitteerde geluid te verminderen;

  3. nominale snelheid: de draaisnelheid van de windturbine die overeenstemt met het maximale vermogen van de machine zoals voorzien door de bouwer;

  4. uitschakelsnelheid: de maximale windsnelheid, vastgesteld door de bouwer, waarbij de windturbine, als die snelheid eenmaal overschreden is, om veiligheidsredenen automatisch stopt;

  5. oversnelheid: de draaisnelheid van de draaiende delen van het bovenste gedeelte van de machine die de maximale snelheid, opgegeven door de bouwer, overschrijdt;

  6. maximaal valbereik van de windturbine : het trefgebied van een volledig afgebroken blad bij een oversnelheid dat overeenstemt met de dubbele nominale draaisnelheid;

  7. toezichthoudend ambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel R.87 van Boek I van het Milieuwetboek;

  8. inbedrijfname van de windturbine : de injectie van de geproduceerde energie in het net;

  9. bestaand windmolenpark: het behoorlijk vergund windmolenpark vóór de inwerkingtreding van dit besluit;

  10. habitat: vergund bouwwerk voor permanente, secundaire of occasionele bewoning;

  11. bewegende schaduw: de schaduwflikkering die wordt veroorzaakt door de schaduw van de bewegende wieken bij elke regelmatige passage voor de zon;

  12. slagschaduwgevoelige zone: elke binnenruimte van een vergund bouwwerk waarin een persoon gewoonlijk verblijft of een regelmatige activiteit uitoefent en die onderhevig is aan de bewegende schaduw;

  13. omgeving van een windturbine: het cirkelvormige gebied van de rotordiameter, gecentreerd rond de mast, met inbegrip van de montageplaats en de toegangswegen;

  14. Minister : de Minister die voor Leefmilieu bevoegd is.

    HOOFDSTUK II. - Bouwnijverheid

    Art. 3. De windturbines stemmen overeen met de norm van de internationale elektrotechnische commissie IEC 61400 betreffende windgeneratoren en afgeleide normen. De uitbater houdt elk stuk waaruit de conformiteit van de windturbines met bovenvermelde norm blijkt ter beschikking van de toezichthoudend ambtenaar.

    HOOFDSTUK III. - Exploitatie

    Art. 4. De locatie beschikt permanent over een onderhouden berijdbare weg. De nabije omgeving, geplaatst onder de controle van de uitbater, wordt in een goede staat van reinheid gehouden.

    Art. 5. Buiten de behoeften voor onderhoud om mag er `s nachts aan de voet van de windturbine of in de nabije omgeving ervan geen enkel lichtsysteem branden.

    Art. 6. Enkel de personen, behoorlijk gemachtigd door de uitbater of één van diens afgevaardigden, heeft toegang tot de binnenkant van de windturbines.

    Art. 7. De toegangen tot de binnenkant van elke windturbine, tot de eventuele aan de buitenkant gelegen transformatorstations of het inkoopstation worden op slot gehouden.

    Art. 8. De uitbater stelt de richtlijnen vast voor de uitbating van de gezamenlijke installaties.

    De richtlijnen voor de uitbating van de gezamenlijke installaties omvatten met name:

  15. de uit te voeren controles voor normaal functionerende installaties en ten gevolge van een stopzetting voor verbouwings-, herstel- of onderhoudswerken om in iedere omstandigheid de uitbatingsvoorwaarden na te leven;

  16. de werkingswijzen ;

  17. de frequentie voor de controle van de veiligheidsinstallaties en de installaties voor de behandeling van de ontstane vervuiling en hinder;

  18. de richtlijnen voor het onderhoud en de reiniging ;

  19. de frequentie voor de controle van de waterdichtheid van de gondel.

    Die uitbatingsrichtlijnen worden bij het register bedoeld in artikel 28 gevoegd.

    Art. 9. Het magnetische veld dat buiten de windturbine en binnen de installatie door de elektrische kabels wordt geïnduceerd, gemeten op anderhalve meter boven de grond, mag de grenswaarde van honderd microteslas niet overschrijden.

    Art. 10. § 1. De effecten van de slagschaduw ontstaan ten gevolge van de werking van de windturbines worden beperkt tot 30 uur per jaar en 30 minuten per dag voor elke slagschaduwgevoelige zone.

    § 2. Indien de volgens de "worst-case"-methode berekende effecten van de slagschaduw boven de in paragraaf 1 bepaalde drempelwaarden liggen, gebruikt de uitbater alle beschikbare middelen om de blootstelling aan slagschaduw te beperken en zo aan die grenswaarden te voldoen.

    De "worst case"-methode wordt gekenmerkt met volgende parameters :

  20. de zon schijnt van `s morgens tot `s avonds (continu klare hemel) ;

  21. de windturbines werken permanent (windsnelheid steeds in het werkingsspectrum van windturbines en bij volle 100% beschikbaarheid ervan);

  22. de rotor van de windturbines staat steeds loodrecht op de zonnestralen.

    § 3. De in paragraaf 1 bepaalde grenzen zijn niet van toepassing als de schaduw die ontstaat wegens de werking van de installatie geen invloed heeft op de bewoners van de slagschaduwgevoelige zone. In dat geval levert de uitbater het bewijs daarvan.

    § 4. De Minister kan de methode voor het voorspellen van slagschaduwniveaus vaststellen.

    HOOFDSTUK IV. - Preventie van ongevallen en brand

    Art. 11. De werking van de windmolenparken wordt gewaarborgd door bevoegd personeel met een gepaste opleiding met betrekking tot met name:

  23. de specifieke risico's van windturbines ;

  24. de ingezette middelen om ze te voorkomen;

  25. de te volgen noodprocedures;

  26. de veiligheidsmaatregelen bedoeld in artikel 12 ;

  27. de trainingsoefeningen, in voorkomend geval, in samenwerking met de hulpdiensten.

    De uitbater houdt het bewijs dat elk personeelslid wel degelijk de basisopleiding heeft gevolgd ter beschikking van de toezichthoudende ambtenaar.

    Art. 12. Er worden door de uitbater veiligheidsvoorschriften uitgewerkt en ter kennis gebracht van het personeel belast met de uitbating en het onderhoud. Die voorschriften bevatten :

  28. de procedures voor noodstops en omschakeling naar veiligheidsstand van de windturbine;

  29. de grenzen van de veilige werking en de stopzetting ;

  30. de modaliteiten voor de uitvoering van de elektrische isolatieregeling van de windturbine ten opzichte van het elektriciteitsnet;

  31. de alarmprocedure met de telefoonnummers;

    1. de verantwoordelijke voor de interventies van de inrichting;

    2. de uitbater van het perceel;

    3. de hulpdiensten;

    4. de toezichthoudend ambtenaar;

    5. de gemeentelijke overheid van het ambtsgebied.

    Deze lijst wordt jaarlijks door de uitbater bijgewerkt.

    Een afschrift van de veiligheidsvoorschriften wordt bij het register bedoeld in artikel 28 gevoegd.

    Art. 13. De uitbater plakt de voorschriften aan die derden moeten naleven als ze de site van de inrichting betreden. Die aanplakking wordt in leesbare letters verricht, ofwel met pictogrammen, op een bord dat uitgehangen wordt op de windturbine, op het inkoopstation, en langs de toegangswegen tot het windmolenpark op een afstand gelijk aan een wieklengte van de windturbine.

    De voorschriften betreffen met name :

  32. de veiligheidsvoorschriften die gevolgd moeten worden bij een abnormale toestand;

  33. het verbod om de windturbine en het inkoopstation te betreden;

  34. de waarschuwing in verband met het elektrocutierisico;

  35. de waarschuwing in verband met vallend ijs;

    Een afschrift van de voorschriften in vette letters en hun herzieningen worden ter beschikking gehouden van de toezichthoudende ambtenaar.

    Art. 14. De bevestigingsklemmen, de mastklemmen en de vestiging van de bladen worden nagekeken voor inbedrijfname van het park en deze procedure wordt systematisch om de drie jaar herhaald. Het organisme dat de windturbine nakijkt stelt daar een controleverslag van op.

    De uitbater voegt een afschrift van alle verslagen bij het register bedoeld in artikel 28.

    Art. 15. Elke windturbine is uitgerust met :

  36. een positief veiligheidssysteem waarbij de windturbine stopgezet wordt bij falen van het lokaal controlesysteem ;

  37. een detectiesysteem dat de uitbater of een door laatstgenoemde aangewezen operator bij brand of overtoerental van de windturbine kan waarschuwen;

  38. een beschermingssysteem tegen blikseminslag en met detectie van ijsvorming.

    Deze systemen worden bij ingebruikneming en ten minste eenmaal per jaar getest door de verantwoordelijke van de exploitatie of zijn gemachtigde, in aanwezigheid van een externe dienst voor de technische inspecties op de werkplek, hierna "SECT" genoemd.

    Een verificatieverslag wordt opgesteld door de verantwoordelijke van de exploitatie of zijn gemachtigde, waarbij het inspectieverslag opgesteld door de "SECT" wordt toegevoegd.

    De verslagen worden gevoegd bij het register bedoeld in artikel 28.

    Art. 16. De windturbine wordt stopgezet zodra de windsnelheid de overbelastingssnelheid overschrijdt of wanneer er ijsvorming gedetecteerd wordt.

    Art. 17. De uitbater treft de nodige maatregelen om derden te verwittigen bij gevaar gevormd door de continuë aanwezigheid van de mens wegens zijn activiteit of zijn woonst in het wiekoverdraaigebied.

    Art. 18. Bij branddetectie wordt de machine onmiddellijk stopgezet en de regionale brandweerdienst wordt zo spoedig mogelijk verwittigd om de omtrek te beveiligen die overeenstemt met het cirkelvormig gebied waarvan de mast het middelpunt vormt en waarvan de straal overeenstemt met het maximaal valbereik van de windturbine.

    Art. 19. § 1. De uitbater zorgt binnen de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT