Arrêt Nº276494 de Conseil du Contentieux des Etrangers, 25/08/2022

CourtIXde KAMER (Raad voor Vreemdelingengeschillen)
Writing for the CourtMOONEN N.
Judgment Date25 août 2022
Procedure TypeAnnulation
Judgement Number276494
RvV X - Pagina 1
nr. 276 494 van 25 augustus 2022
in de zaak RvV X / IX
In zake:
X
Gekozen woonplaats:
ten kantore van advocaat B. KEUSTERS
Bampslaan 28
3500 HASSELT
tegen:
de Belgische staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie.
DE WND VOORZITTER VAN DE IXE KAMER,
Gezien het verzoekschrift dat X, die verklaart van Marokkaanse nationaliteit te zijn, op 22 april 2022 heeft
ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de
staatssecretaris voor Asiel en Migratie van 16 maart 2022 tot weigering van verblijf van meer dan drie
maanden zonder bevel om het grondgebied te verlaten.
Gezien titel I bis, hoofdstuk 2, afdeling IV, onderafdeling 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende
de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Gezien de beschikking houdende de vaststelling van het rolrecht van 26 april 2022 met refertenummer X.
Gezien de nota met opmerkingen.
Gelet op de beschikking van 8 juli 2022, waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 10 augustus 2022.
Gehoord het verslag van rechter in vreemdelingenzaken N. MOONEN
Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat B. KEUSTERS verschijnt voor
de verzoekende partij en van advocaat A. DE WILDE, die verschijnt voor de verwerende partij.
WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
1. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak
Op 13 januari 2020 wordt aan verzoekster een inreisverbod van vier jaar (bijlage 13sexies) afgegeven.
Verzoekster treedt op 27 augustus 2021 in het huwelijk met de heer A. N, die de Belgische nationaliteit
bezit. Op 21 september 2021 dient ze een aanvraag in voor het bekomen van een verblijfskaart van een
familielid van een burger van de Unie.
De gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie neemt op 16 maart 2022 een beslissing
tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden zonder bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage
20), aan verzoekster ter kennis gebracht op 24 maart 2022. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de
motivering luidt als volgt:
RvV X - Pagina 2
BESLISSING TOT WEIGERING VAN VERBLIJF VAN MEER DAN DRIE MAANDEN ZONDER BEVEL
OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN
In uitvoering van artikel 52, §4, 5de lid van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang
tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt de aanvraag
van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, die op 21.09.2021 werd ingediend
door:
Naam: H. (…)
Voorna(a)m(en): S. (…)
Nationaliteit: Marokko
Geboortedatum: (…) 1981
Geboorteplaats: (…)
Identificatienummer in het Rijksregister: (…)
Verblijvende te: (…)
om de volgende reden geweigerd:
De betrokkene voldoet niet aan de vereiste voorwaarden om te genieten van het recht op verblijf van meer
dan drie maanden in de hoedanigheid van burger van de Unie. Betrokkene diende een aanvraag
gezinshereniging in functie van haar echtgenoot, de genaamde N. (…), A. (…) M. (…) R. (…) (RR. (…))
van Belgische nationaliteit toepassing van artikel 40 ter van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang
tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Om deze aanvraag in overweging te kunnen nemen dient aan een ontvankelijkheidsvereiste voldaan te
worden. Betrokkene moet vooreerst toegang hebben tot het grondgebied, er mag dus geen geldig
inreisverbod zijn. Voor zover er wel een geldig inreisverbod is, waarvan de geldigheidsduur niet verstreken
is, kan de aanvraag alsnog in aanmerking worden genomen voor zover er sprake zou 7ijn var» een
buitengewone afhankelijkheid van de referentiepersoon tegenover de aanvrager. In dat geval is een
afgeleid verblijfsrecht gerechtvaardigd ondanks het inreisverbod (zie daartoe arrest K.A. HvJ C-82/16 dd.8
mei 2018).
Vooreerst blijkt dus uit het dossier dan mevrouw onder een andere nationaliteit nl. H. (…) S. (…) geboren
op (…) 1981 te (…), nationaliteit: Kroatië, het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod (bijlage 13 sexies)
van vier jaar genomen op 13.01.2020. Dit inreisverbod is nog steeds van kracht, gezien het niet is
vernietigd of geschorst door de Raad Voor Vreemdelingenbetwistingen en het bevoegde bestuur het niet
heeft ingetrokken of opgeheven. De termijn van het inreisverbod begint pas te lopen vanaf de datum
waarop betrokkene effectief het grondgebied van België heeft verlaten (arrest van de Raad v State
n°240.394 van 14/01/2018, alsook het arrest Ouhrami). Er zijn geen bewijzen in het dossier dat betrokkene
effectief België heeft verlaten of bewijzen dat zij de opheffing van het inreisverbod heeft gevraagd in het
kader van artikel 74/12 van de wet van 12 december 1980. Vandaar dat zij het Belgische grondgebied
alsnog moet verlaten en het inreisverbod moet opvolgen. Desgewenst kan om de opschorting of de
vernietiging van het inreisverbod gevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die
bevoegd is voor betrokkenes woon-of verblijfplaats in het buitenland.
Betrokkene werd door België ter fine van weigering van toegang gesignaleerd in de staten die partij zijn
bij de Uitvoeringsovereenkomst van het Akkoord van Schengen, ondertekend op 19 juni 1990, hetzij
omdat zijn aanwezigheid een gevaar uitmaakt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, hetzij
omdat hij het voorwerp heeft uitgemaakt van een verwijderingsmaatregel die noch ingetrokken noch
opgeschort werd en die een verbod van toegang behelst wegens overtreding van de nationale bepalingen
inzake de binnenkomst of het verblijf van de vreemdelingen. Dit inreisverbod werd haar betekend op
13.01.2020 en is tot op het moment van het indienen van de aanvraag gezinshereniging en tot op heden
noch opgeheven, noch ingetrokken door het bevoegde bestuur. Betrokkene heeft daarmee geen toegang
tot Belgische grondgebied.
Bijkomend dient er, overeenkomstig het Arrest van Hof van Justitie in de zaak C-82/16 van 8 mei 2018,
beoordeeld te worden of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen betrokkene en haar
echtgenoot bestaat dat deze kan rechtvaardigen dat aan betrokkene een afgeleid verblijfsrecht moet
worden toegekend Daarbij dient te worden benadrukt dat het loutere bestaan van een gezinsband niet
kan volstaan als rechtvaardiging om aan het gezinslid een afgeleid recht van verblijf toe te kennen. Het
Hof benadrukt in het voornoemde arrest dat volwassenen in beginsel in staat zijn om onafhankelijk van
hun familieleden een leven te leiden. Voor een volwassene is een afgeleid verblijfsrecht dan ook slechts

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT