Arrêt Nº276336 de Conseil du Contentieux des Etrangers, 23/08/2022

CourtIXde KAMER (Raad voor Vreemdelingengeschillen)
Writing for the CourtMOONEN N.
Judgment Date23 août 2022
Procedure TypeAnnulation
Judgement Number276336
RvV X - Pagina 1
nr. 276 336 van 23 augustus 2022
in de zaak RvV X / IX
In zake:
X
Gekozen woonplaats:
ten kantore van advocaat S. VAN ROSSEM
Violetstraat 48
2060 ANTWERPEN
tegen:
de Belgische staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en
Migratie.
DE WND. VOORZITTER VAN DE IXE KAMER,
Gezien het verzoekschrift dat X, die verklaart van Mongoolse nationaliteit te zijn, op 14 april 2022 heeft
ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van de
beslissingen van de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie van 8 maart 2022 waarbij
de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980
betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard en tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten.
Gezien titel I bis, hoofdstuk 2, afdeling IV, onderafdeling 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende
de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Gezien de beschikking houdende de vaststelling van het rolrecht van 19 april 2022 met refertenummer X.
Gezien de nota met opmerkingen en het administratief dossier.
Gelet op de beschikking van 22 juni 2022, waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 13 juli 2022.
Gehoord het verslag van rechter in vreemdelingenzaken N. MOONEN.
Gehoord de opmerkingen van advocaat M. KIWAKANA, die loco advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt
voor de verzoekende partij en van advocaat L. RAUX, die loco advocaten D. MATRAY en S. VAN
ROMPAEY verschijnt voor de verwerende partij.
WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
1. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak
Verzoeker dient een verzoek om internationale bescherming in op 6 juni 2019. Op 22 januari 2020 neemt
het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (hierna: het CGVS) de beslissing
waarbij de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Tegen deze
beslissing stelt verzoeker hoger beroep in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de Raad),
die opnieuw de vluchtelingen- en subsidiaire beschermingsstatus weigert toe te kennen bij arrest nr. 237
734 van 30 juni 2020.
RvV X - Pagina 2
Vervolgens dient verzoeker op 12 november 2020 een verblijfsaanvraag in met toepassing van artikel 9bis
van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging
en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de vreemdelingenwet). Op 8 maart 2022 wordt deze
aanvraag door de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie onontvankelijk verklaard,
aan verzoeker ter kennis gebracht op 14 maart 2022. Dit is de eerste bestreden beslissing, waarvan de
motivering luidt als volgt:
B. (…), B. (…) (R.R.: (…))
nationaliteit: Mongolië
geboren te (…) op (…) 1999
adres: (…)
in toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij artikel 4 van
de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980, deel ik u mee dat dit
verzoek onontvankelijk is.
Reden(en):
De aangehaalde elementen vormen geen buitengewone omstandigheid waarom de betrokkene de
aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de
diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het
buitenland.
Betrokkene wist dat zijn verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van het Verzoek
Internationale Bescherming (VIB) en dat hij bij een negatieve beslissing het land diende te verlaten. Op
06.06.2019 diende betrokkene in België een VIB in. Op 30.06.2020 weigerde de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen (RVV) aan betrokkene zowel de vluchtelingenstatus als de subsidiaire
bescherming.
De duur van deze procedures namelijk iets minder dan 1 jaar en 1 maand was ook niet van die aard
dat ze als onredelijk lang kan beschouwd worden. Het feit dat er een zekere behandelingsperiode is, geeft
aan betrokkene ipso facto geen recht op verblijf. (Raad van State, arrest nr 89980 van 02.10.2000)
Verzoeker zou problemen vrezen bij terugkeer naar Mongolië met een criminele bende die hij verlaten
zou hebben. Wat de vermeende schending van art. 3 van het EVRM betreft dient opgemerkt te worden
dat de bescherming verleend via art. 3 van het EVRM slechts in buitengewone gevallen toepassing zal
vinden. Hiervoor dient betrokkene zijn beweringen te staven met een begin van bewijs terwijl in casu het
enkel bij een bewering blijft en dit niet kan volstaan om een inbreuk uit te maken op het vernoemde artikel
3. De algemene bewering wordt niet toegepast op de eigen situatie. De loutere vermelding van het artikel
3 EVRM volstaat dus niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden.
Betrokkene beweert dat hij gevaar zou lopen indien hij zou moeten terugkeren naar zijn land van herkomst
doch hij legt geen bewijzen voor die deze bewering kunnen staven. Het is aan betrokkene om op zijn
minst een begin van bewijs te leveren. De loutere vermelding dat betrokkene vreest dat hij slachtoffer kan
worden van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in zijn land van herkomst
volstaat niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. Bovendien voegt betrokkene geen
enkel nieuw element toe aan de elementen die hij reeds tijdens zijn VIB naar voor bracht en die niet
weerhouden werden door de bevoegde instanties. De elementen ter ondersteuning van huidig verzoek
om machtiging tot verblijf wettigen bijgevolg geen andere beoordeling dan die van deze instanties. Het is
onmogelijk dat, zonder voorleggen van bijkomend bewijsmateriaal, diezelfde verklaringen - die als
ongeloofwaardig werden bevonden - in huidige procedure wel aanvaard kunnen worden.
Vervolgens haalt betrokkene aan dat hij in zijn land van herkomst geen vangnet heeft waar hij terecht zou
kunnen voor steun en hulp, dat hij in armoede zou terechtkomen daar hij niet kan terugvallen op personen
die voor hem kunnen zorgen en/of onderdak kunnen verlenen. Het lijkt echter erg onwaarschijnlijk dat
betrokkene geen familie, vrienden of kennissen meer zou hebben in het land van herkomst waar hij voor
korte tijd zou kunnen verblijven in afwachting van een beslissing in het kader van zijn aanvraag om
machtiging tot verblijf. Betrokkene verbleef immers ruim 18 jaar in Mongolië en zijn verblijf in België en
opgebouwde banden kunnen bijgevolg geenszins vergeleken worden met zijn relaties in het land van
herkomst. Bovendien verklaarde hij bij het interview in het kader van zijn Verzoek voor Internationale

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT