Arrêt Nº244379 de Conseil du Contentieux des Etrangers, 18/11/2020

CourtIVe KAMER (Raad voor Vreemdelingengeschillen)
Writing for the CourtDE SMET A.
Judgment Date18 novembre 2020
Procedure TypePlein contentieux
Judgement Number244379
RvV X - Pagina 1
nr.
244 379
van
18
november
2020
in de zaak RvV X / IV
In zake:
X
ten kantore van advocaat S
.
MICHOLT
Maria van Bourgondiëlaan 7 B
8000 BRUGGE
tegen:
de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen
DE WND. VOORZITTER VAN DE IVE KAMER,
Gezien het verzoekschrift dat X, die verklaart van Palestijnse nationaliteit te zijn, op 27 april 2020 heeft
ingediend tegen de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van
30 maart 2020.
Gelet op artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het
verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Gezien het administratief dossier.
Gelet op de beschikking van 16 oktober 2020 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op
10 november 2020.
Gehoord het verslag van rechter in vreemdelingenzaken A. DE SMET.
Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij en haar advocaat H. VAN NIJVERSEEL loco
advocaat S. MICHOLT en van attaché E. DEWIL, die verschijnt voor de verwerende partij.
WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
1. Over de gegevens van de zaak
1.1. Verzoeker, die verklaart van onbepaalde nationaliteit te zijn, is volgens zijn verklaringen België
binnengekomen op 8 augustus 2018 en heeft op 13 augustus 2018 een verzoek om internationale
bescherming ingediend.
1.2. Nadat een vragenlijst werd ingevuld en ondertekend, werd het dossier van verzoeker op 1 oktober
2019 door de Dienst Vreemdelingenzaken (hierna: DVZ) overgemaakt aan het Commissariaat-generaal
voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: CGVS). Verzoeker werd door het CGVS gehoord op 22
november 2019.
RvV X - Pagina 2
1.3. Op 30 maart 2020 nam de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de
beslissing tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus.
Deze beslissing werd op 31 maart 2020 aangetekend naar verzoeker verzonden.
De bestreden beslissing luidt als volgt:
A. Feitenrelaas
U verklaart geboren te zijn te Rafah, Gaza, op (…) 1989. U bent van Palestijnse origine, bent Arabier en
soennitisch moslim.
U komt uit een gezin met twaalf kinderen. Uw ouders verblijven samen met het grootste deel van uw
broers en zussen in Rafah, Gaza, waar u tevens steeds verbleven heeft. Jullie woning is eigendom van
de familie. U heeft twee broers die buiten de Gazastrook verblijven. Uw broer M. verblijft in Turkije, uw
broer S. I. (CG 15/10151, OV xxx) verblijft in België. Hij diende op 5 januari 2015 een verzoek om
internationale bescherming in. Het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen
(CGVS) nam op 30 april 2015 in zijn hoofde een beslissing tot erkenning van de vluchtelingenstatus.
U en uw familie staan geregistreerd bij de UNRWA. Jullie ontvingen beperkte voedselsteun vanuit de
UNRWA. In kader van medische problemen kunnen uw ouders rekenen op steun van de UNRWA voor
het verkrijgen van medicatie. Daarnaast hebben ze toegang tot private medische zorg waarin ze
voorzien op eigen kosten. Uw familie zorgt voor eigen inkomsten, daarnaast worden ze maandelijks
financieel ondersteund door uw broer die in Turkije verblijft.
U heeft uw universitaire studie afgerond aan de Universiteit van Khan Younes. U heeft evenwel uw
diploma niet opgehaald aangezien u hiervoor diende te betalen. U heeft tijdens uw studie geld verdiend
door het werken in de bouw, dat deed u voor ongeveer zeven jaar. U werkte voor uw broer T. die
aannemer was. U bent ermee gestopt aangezien u het beu was, u kreeg geen verantwoordelijkheden.
U bent ongehuwd en u heeft geen kinderen. In juli 2013 leerde u A. Y. A. D. kennen en jullie kregen een
liefdesrelatie, evenwel niet op seksueel vlak. U zag haar vaak in het openbaar. Jullie spraken af in de
buurt, in de kliniek en in Khan Younes. U nam voorzorgsmaatregelen aangezien een ongehuwd stel niet
aanvaard wordt in uw omgeving, hier kon een arrestatie aan vasthangen. U vroeg haar niet ten huwelijk
aangezien u geen financiële mogelijkheden had. Op 12 februari 2018 werden u en A. tegengehouden
tijdens een wandeling door een man van de inlichtingendiensten van Hamas. Hij vroeg naar uw
identiteitskaart, maar deze had u niet bij. U en A. werden meegenomen naar het politiekantoor waar ze
ontdekten dat jullie niet gehuwd zijn, alsook geen familiale banden hebben. Aangezien het verboden
was dat jullie, als ongehuwden, contact zouden hebben leerden ze u een lesje door u drie dagen vast te
houden. Tijdens deze drie dagen bent u slecht behandeld geweest. U werd vrijgelaten onder de
voorwaarde dat u geen relaties meer mocht hebben, zoals de relatie die u had met A. U diende deze
belofte te ondertekenen. Omwille van het feit dat u geslagen en vernederd werd tijdens uw opsluiting,
wilde u wraak nemen. Om uw eigenwaarde terug te krijgen besloot u naar een gebouw te gaan waar
Hamas aanwezig was. U stond in de rij van de mensen om het aanwezige Hamaslid te begroeten. Toen
het uw beurt was, spuwde u in het gezicht van dit Hamaslid. Dit bleek I. R. te zijn, een leider van
Hamas, lid van de wetgevende Raad. Hierna vluchtte u weg en kon u ontkomen aangezien u de buurt
goed kende. Vervolgens bent u gaan onderduiken. Ongeveer een week later, op 21 maart 2018,
ontvingen uw ouders een oproepingsbrief van Hamas. Ze informeerden u en u zei dat u zich niet zou
gaan aanmelden. Eind maart/begin april 2018 bent u naar Beit Hanoun gegaan, naar een andere vriend
waar u ging onderduiken. Op 3 april 2018 volgde er een nieuwe oproepingsbrief. U diende zich
onmiddellijk aan te melden. Aangezien u hier wederom niet op inging ging Hamas langs bij de
familieleden van A. om u onder druk te zetten. Hamas verteld hen dat u seksuele betrekkingen had met
hun dochter. Rond ongeveer 10 april 2018 is de familie van A. naar uw familie geweest met de
bedreiging dat zij, dus de familie van A., op zoek was naar u. Ze gingen ook langs bij uw kameraden en
uw neven.
Op 12 mei 2018 heeft u de Gazastrook verlaten. Via een coördinatiedocument kon u Rafah verlaten.
Vervolgens verbleef u voor een periode van twintig dagen in Egypte om dan van Mauritanië naar
Algerije te reizen waar u ongeveer een twintigtal dagen verbleef. Vervolgens bleef u een week in
Marokko en via Melilla ging u dan naar Spanje. U reisde via Spanje naar Frankrijk en vervolgens kwam
u aan in België. Op 13 augustus 2018 diende u in België een verzoek om internationale bescherming in.
RvV X - Pagina 3
Bij terugkeer naar de Gazastrook vreest u voor uw leven omwille van de problemen die u kende door uw
relatie met A. U vreest enerzijds Hamas, anderzijds de familie van A.
Ter staving van uw verzoek om internationale bescherming legt u volgende documenten neer: uw
originele volledige paspoort (14/09/2017 – 13/09/2022), een kopie van uw identiteitskaart, uw originele
UNRWA registratie, de kopies van de UNRWA registraties van uw broers, een attest ter staving van uw
lidmaatschap bij Fatah, twee oproepingsbrieven van Hamas, een foto van u en A., documenten in
verband met uw opleiding, een ervaringsattest, een factuur van de universiteit en een document van een
lening bij de universiteit. In kader van de mogelijkheid tot het formuleren van opmerkingen aangaande
het persoonlijk onderhoud, stuurt uw advocaat op 9 december 2019 nog enkele aanvullende
bemerkingen door.
B. Motivering
Na grondige analyse van het geheel van de gegevens in uw administratief dossier, moet vooreerst
worden vastgesteld dat u géén elementen kenbaar hebt gemaakt waaruit eventuele bijzondere
procedurele noden kunnen blijken, en dat het Commissariaat-generaal evenmin dergelijke noden in uw
hoofde heeft kunnen vaststellen.
Bijgevolg werden er u geen specifieke steunmaatregelen verleend, aangezien er in het kader van
onderhavige procedure redelijkerwijze kan worden aangenomen dat uw rechten gerespecteerd worden
en dat u in de gegeven omstandigheden kunt voldoen aan uw verplichtingen.
Artikel 1D van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, waarnaar artikel 55/2 van de
vreemdelingenwet refereert, bepaalt dat personen die bijstand of bescherming genieten van een orgaan
of instelling van de Verenigde Naties zoals het UNRWA, moeten worden uitgesloten van de
vluchtelingenstatus. Deze uitsluiting geldt niet wanneer de bijstand of bescherming van het UNRWA om
welke reden dan ook is opgehouden. In dat geval moet bescherming van rechtswege worden toegekend
aan de betrokkene, tenzij er een reden is om hem uit te sluiten om een van de redenen bedoeld in
artikel 1E of 1F.
Uit uw verklaringen blijkt dat u onlangs de bijstand van de UNRWA verkreeg en een verblijfsrecht had in
de Gazastrook (CGVS p.6, 9, 26-27). Zo heeft u UNRWA onderwijs genoten (CGVS p.6). U geeft verder
aan dat u en uw familie om de drie maanden beperkte voedselhulp van UNRWA ontvingen en UNWRA
tevens voorziet in medicatie van uw ouders. Er dient dus onderzocht te worden of het UNRWA u
bijstand kan bieden overeenkomstig het mandaat dat het werd toegekend door de Algemene
Vergadering van de Verenigde Naties
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) beoordeelde in het El Kott-arrest (HJEU, C 364/11, El
Kott e.a. tegen Bevándorlási és Állampolgársági Hivatal, 19 december 2012) de draagwijdte van artikel
12, lid 1, sub a), tweede volzin, van richtlijn 2004/83/EG – Minimumnormen voor erkenning als
vluchteling of als persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt, en in het bijzonder van
de zinsnede “wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden ook is opgehouden”. Deze
bepaling, die in de Belgische recht werd omgezet in artikel 55/2 van de vreemdelingenwet, bepaalt
namelijk het volgende: “Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de
vluchtelingenstatus wanneer:
a) hij onder artikel 1 D van het Verdrag van Genève valt, dat betrekking heeft op het genieten van
bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de Hoge
Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen. Is die bescherming of bijstand om welke
reden ook opgehouden zonder dat de positie van de betrokkene definitief geregeld is in
overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde
Naties, dan heeft de betrokkene op grond van dit feit recht op de voorzieningen uit hoofde van deze
richtlijn […]”.
Het Hof van Justitie oordeelde dat de afwezigheid of het vrijwillig vertrek uit het gebied waar het
UNRWA werkzaam is, niet kan volstaan om de in artikel 1D bedoelde uitsluiting van de
vluchtelingenstatus te beëindigen. Volgens het Hof van Justitie houdt de bijstand van het UNRWA op als
(1) het agentschap opgeheven wordt, (2) in de onmogelijkheid verkeert zijn opdracht daadwerkelijk uit te
voeren; (3) of wanneer het vertrek van een persoon uit het mandaatgebied van UNRWA zijn
rechtvaardiging vindt in redenen buiten de invloed en onafhankelijk van zijn wil. Wat dit laatste punt

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT