Arrêt Nº223064 de Conseil du Contentieux des Etrangers, 24/06/2019

CourtIIde KAMER (Raad voor Vreemdelingengeschillen)
Writing for the CourtDE GROOTE C.
Judgment Date24 juin 2019
Procedure TypeAnnulation
Judgement Number223064
X - Pagina 1
nr. 223 064 van 24 juni 2019
in de zaak RvV X / II
In zake:
X
Gekozen woonplaats:
ten kantore van advocaten C. MORJANE en C. MARCHAND
Kolenmarktstraat 83
1000 BRUSSEL
tegen:
de Belgische staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie
en Administratieve Vereenvoudiging, thans de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid, en van Asiel en Migratie.
DE WND. VOORZITTER VAN DE IIde KAMER,
Gezien het verzoekschrift dat X die verklaart van Algerijnse nationaliteit te zijn, op 5 oktober 2017 heeft
ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de
staatssecretaris voor Asiel en Migratie en Administratieve Vereenvoudiging van 20 september 2017 tot
afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering
(bijlage 13septies).
Gezien titel I bis, hoofdstuk 2, afdeling IV, onderafdeling 2, van de wet van 15 december 1980
betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen.
Gezien de nota met opmerkingen en het administratief dossier.
Gezien het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met nr. 193 199 van 5 oktober 2017
waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen.
Gelet op de beschikking van 11 februari 2019, waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 maart 2019,
datum waarop de zaak tegensprekelijk wordt uitgesteld naar de terechtzitting van 13 mei 2019, datum
waarop de zaak tegensprekelijk wordt uitgesteld naar de terechtzitting van 3 juni 2019.
Gehoord het verslag van rechter in vreemdelingenzaken C. DE GROOTE.
Gehoord de opmerkingen van advocaat O. TODTS, die loco advocaten C. MORJANE en C.
MARCHAND verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. SCHREURS, die loco advocaat
E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij.
WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
1. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak
De verzoeker, die verklaart van Algerijnse nationaliteit te zijn, komt op 16 september 2002 België binnen
en vraagt op 17 september 2002 asiel aan. Op 11 maart 2003 beslist de commissaris-generaal voor de
X - Pagina 2
vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) tot de weigering van de
vluchtelingenstatus. Bij beslissing nr. 03-0618/R12737 van 28 april 2005 bevestigt de Vaste
Beroepscommissie voor Vluchtelingen de voornoemde beslissing van de commissaris-generaal. Bij
arrest nr. 182.531 van 29 april 2008 stelt de Raad van State de afstand vast van het tegen deze
beslissing ingestelde cassatieberoep.
Op 9 oktober 2008 dient de verzoeker een tweede asielaanvraag in.
Op 30 juni 2009 beslist de commissaris-generaal tot de weigering van de vluchtelingenstatus en de
weigering van de subsidiaire beschermingsstatus. Ook tegen deze beslissing dient de verzoeker een
beroep in, bij de thans bevoegde Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de Raad). De Raad
verwerpt dit beroep met het arrest nr. 34 016 van 12 november 2009.
Op 4 maart 2014 dient de verzoeker in Duitsland een asielaanvraag in. Op 8 april 2014 wordt door de
Duitse autoriteiten een terugnameverzoek gericht aan de Belgische overheid, die op 16 april 2014, in
toepassing van artikel 18.1, d), van de verordening nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de
Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat
verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een
onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, instemt met het
verzoek om terugname. Een overdracht heeft evenwel niet plaatsgevonden omdat de verzoeker was
ondergedoken.
Op 7 oktober 2015 wordt de verzoeker in België aangehouden onder verdenking van “(d)eelname aan
de activiteiten van een terroristische groepering” en op 8 oktober 2015 wordt hij opgesloten onder
aanhoudingsmandaat. Bij arrest van 20 september 2017 beslist de kamer van inbeschuldigingstelling
van het hof van beroep te Brussel dat de verzoeker onder voorwaarden in vrijheid mag worden gesteld.
Op 20 september 2017 wordt ten aanzien van de verzoeker een beslissing tot afgifte van een bevel om
het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering (bijlage 13septies) genomen.
Het betreft de thans bestreden akte. Zij werd aan de verzoeker ter kennis gebracht op 20 september
2017 en is als volgt gemotiveerd:
“(…)
Bevel om het grondgebied te verlaten
Aan de Heer,
Naam :M.
voornaam : N.
geboortedatum : (…)1949
geboorteplaats : B.
nationaliteit : Algerije
Niettegenstaande betrokkene vrijstelbaar is en een borgsom heeft betaald moet zij/hij het grondgebied
verlaten en wordt zij/hij gerepatrieerd. Ten einde te voldoen aan het gerechtelijk dossier is het echter
voor betrokkene mogelijk om, voorzien van de nodige identiteitsstukken, terug te keren naar België.
wordt het bevel gegeven het grondgebied van België te verlaten, evenals het grondgebied van de staten
die het Schengenacquis ten volle toepassen, tenzij hij beschikt over de documenten die vereist zijn om
er zich naar toe te begeven.
REDEN VAN DE BESLISSING EN VAN DE AFWEZIGHEID VAN EEN TERMIJN OM HET
GRONDGEBIED TE VERLATEN:
Het bevel om het grondgebied te verlaten wordt afgegeven in toepassing van volgend(e) artikel(en) van
de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en
de verwijdering van vreemdelingen en volgende feiten en/of vaststellingen:
Artikel 7, alinea 1:
1° wanneer hij in het Rijk verblijft zonder houder te zijn van de bij artikel 2 vereiste documenten;

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI