Arrêt Nº214910 de Conseil du Contentieux des Etrangers, 09/01/2019

CourtVIIIste KAMER (Raad voor Vreemdelingengeschillen)
Writing for the CourtVERHAERT C.
Judgment Date09 jan. 2019
Procedure TypeAnnulation
Judgement Number214910
RvV X - Pagina 1
nr. 214 910 van 9 januari 2019
in de zaak RvV X / VIII
In zake:
X
Gekozen woonplaats:
ten kantore van advocaat K. VERSTREPEN
Rotterdamstraat 53
2060 ANTWERPEN
tegen:
de Belgische staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie
en Administratieve Vereenvoudiging, thans de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid, en van Asiel en Migratie.
DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIIste KAMER,
Gezien het verzoekschrift dat X, die verklaart van Indonesische nationaliteit te zijn, op 7 september 2018
heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van de
beslissing van de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie en Administratieve
Vereenvoudiging van 26 juli 2018 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel
9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ongegrond wordt verklaard en van de beslissing van
diezelfde gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie en Administratieve
Vereenvoudiging van 26 juli 2018 tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 13).
Gezien titel I bis, hoofdstuk 2, afdeling IV, onderafdeling 2, van de wet van 15 december 1980
betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen.
Gezien de nota met opmerkingen en het administratief dossier.
Gelet op de beschikking van 24 oktober 2018, waarbij de terechtzitting wordt bepaald op
21 november 2018.
Gehoord het verslag van rechter in vreemdelingenzaken C. VERHAERT.
Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij en haar advocaat K. VERHAEGEN loco advocaat
K. VERSTREPEN en van advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij.
WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
1. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak
1.1. Verzoeker diende op 4 december 2012 een aanvraag in om machtiging tot verblijf op grond van
artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf,
de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de vreemdelingenwet). Deze aanvraag werd
RvV X - Pagina 2
op 5 februari 2013 onontvankelijk verklaard. Diezelfde dag besloot de gemachtigde van de bevoegde
staatssecretaris tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 13).
1.2. Bij arrest nr. 140 966 van 13 maart 2015 werden deze beslissingen door de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de Raad) vernietigd.
1.3. De aanvraag werd op 15 juni 2015 opnieuw onontvankelijk verklaard en werd besloten tot de afgifte
van een bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 13). Deze beslissingen werden door de Raad
vernietigd met de arrestnummers 168 613 en 168 614 van 27 mei 2016.
1.4. Op 31 januari 2017 werd een medisch advies opgemaakt door de arts-adviseur.
1.5. De aanvraag werd op 27 februari 2017 opnieuw onontvankelijk verklaard en er werd op diezelfde
dag besloten tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 13). Beide
beslissingen werden door de Raad bij arrest nr. 192 952 van 2 oktober 2017 vernietigd.
1.6. De arts-adviseur stelde op 17 juli 2018 een medisch advies op.
1.7. Op 26 juli 2018 werd de aanvraag ongegrond verklaard. Dit is de eerste bestreden beslissing, die
als volgt gemotiveerd is:
“(…)
Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die op datum van 04.12.2012 bij
aangetekend schrijven bij onze diensten werd ingediend door:
S., B. U. (R.R.: )
nationaliteit: Indonesië
geboren te J. op 20.12.1980
adres: (…)
in toepassing van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals vervangen door
Artikel 187 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen, deel ik u mee dat dit
verzoek ontvankelijk doch ongegrond is. Het aangehaalde medisch probleem kan niet worden
weerhouden als grond om een verblijfsvergunning te bekomen in toepassing van artikel 9ter van de wet
van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering van vreemdelingen, zoals vervangen door Art 187 van de wet van 29 december 2010
houdende diverse bepalingen. Er werden medische elementen aangehaald door S. B. U. die echter niet
weerhouden kunnen worden (zie medisch advies arts-adviseur dd. 17.07.2018) Derhalve 1) kan uit het
voorgelegd medische dossier niet worden afgeleid dat betrokkene lijdt aan een ziekte die een reëel
risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit, of 2) kan uit het voorgelegd medische dossier niet
worden afgeleid dat betrokkene lijdt aan een ziekte die een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of
vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het
land waar de betrokkene gewoonlijk verblijft. Bijgevolg is niet bewezen dat een terugkeer naar het land
van herkomst of het land waar de betrokkene gewoonlijk verblijft een inbreuk uitmaakt op de Europese
richtlijn 2004/83/EG, noch op het artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
(EVRM). Er wordt geen rekening gehouden met eventuele stukken toegevoegd aan het beroep tot
nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gezien deze niet ter kennis werden
gebracht aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Het komt immers aan betrokkene toe om alle nuttige en
recente inlichtingen in zijn aanvraag of als aanvulling op deze aanvraag aan onze diensten over te
maken. Gelieve eveneens bijgevoegde gesloten omslag aan S. B. U. te willen overhandigen.
Reden(en): Gelieve betrokkene ervan op de hoogte te brengen dat deze beslissing overeenkomstig
artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring bij
de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dat ingediend moet worden, bij verzoekschrift, binnen de
dertig dagen na de kennisgeving van deze beslissing. Een vordering tot schorsing kan ingediend
worden overeenkomstig artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980. Behoudens in het geval van
uiterst dringende noodzakelijkheid moeten in een en dezelfde akte zowel de vordering tot schorsing als
het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld. Onverminderd andere wettelijke en reglementaire
modaliteiten, worden het hierboven bedoelde beroep en de hierboven bedoelde vordering ingediend
door middel van een verzoekschrift, dat moet voldoen aan de in artikel 39/78 van de wet van 15
december 1980 en in artikel 32 van het Procedurereglement Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI