Arrêt Nº213341 de Conseil du Contentieux des Etrangers, 30/11/2018

CourtIIde KAMER (Raad voor Vreemdelingengeschillen)
Writing for the CourtVERMANDER N.
Judgment Date30 novembre 2018
Procedure TypeAnnulation
Judgement Number213341
RvV X - Pagina 1
nr. 213 341 van 30 november 2018
in de zaak RvV X / II
In zake:
X
Gekozen woonplaats:
ten kantore van advocaat H. VANDER VELPEN
Atletenstraat 31
2020 ANTWERPEN
tegen:
de Belgische staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie
en Administratieve Vereenvoudiging.
DE WND. VOORZITTER VAN DE IIde KAMER,
Gezien het verzoekschrift dat X, die verklaart van Marokkaanse nationaliteit te zijn, op 24 juli 2018 heeft
ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van de
beslissingen van de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie en Administratieve
Vereenvoudiging van 2 juli 2018 tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten met
vasthouding met het oog op verwijdering (bijlage 13septies) en tot afgifte van een inreisverbod (bijlage
13sexies).
Gezien titel I bis, hoofdstuk 2, afdeling IV, onderafdeling 2, van de wet van 15 december 1980
betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen.
Gezien de beschikking houdende de vaststelling van het rolrecht van 1 augustus 2018 met
refertenummer X.
Gezien de nota met opmerkingen en het administratief dossier.
Gezien het arrest nr. 206 660 van 9 juli 2018 van de Raad waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst
dringende noodzakelijkheid wordt verworpen.
Gelet op de beschikking van 13 september 2018, waarbij de terechtzitting wordt bepaald op
5 oktober 2018.
Gehoord het verslag van rechter in vreemdelingenzaken N. VERMANDER.
Gehoord de opmerkingen van advocaat M. KIWAKANA, die loco advocaat H. VANDER VELPEN
verschijnt voor de verzoekende partij, en van attaché ONRAET, die verschijnt voor de verwerende partij.
WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
RvV X - Pagina 2
1. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak
1.1. Op 26 juni 1984 wordt de verzoekende partij in het bezit gesteld van een identiteitskaart voor
vreemdelingen die op 22 juni 2007 werd omgezet naar een C-kaart geldig tot 8 juni 2012.
1.2. Op 14 augustus 2003 wordt de verzoekende partij door de correctionele rechtbank van Antwerpen
veroordeeld tot een definitieve gevangenisstraf van één jaar met uitstel van drie jaar behalve vier
maanden. De verzoekende partij zit opgesloten in de gevangenis van 4 juli 2003 tot 9 september 2003.
1.3. De verzoekende partij zit daarna van 27 november 2006 tot 14 maart 2007 opnieuw opgesloten in
de gevangenis.
1.4. Op 13 februari 2009 wordt de verzoekende partij afgevoerd van ambtswege uit het Rijksregister.
1.5. Op 11 juni 2009 wordt de verzoekende partij door het Hof van Beroep van Antwerpen veroordeeld
tot een definitieve gevangenisstraf van veertig maanden wegens inbreuk op de wetgeving inzake drugs,
als dader of mededader.
1.6. Op 6 februari 2014 dient de verzoekende partij een aanvraag in tot het verkrijgen van een
verblijfskaart als familielid van een Belg.
1.7. Op 4 augustus 2014 neemt de gemachtigde van de Minister van Justitie, belast met Asiel en
Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding een beslissing tot weigering van verblijf van
meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten.
1.8. Op 24 september 2014 dient de verzoekende partij opnieuw een aanvraag in tot het verkrijgen van
een verblijfskaart als familielid van een Belg.
1.9. Op 4 november 2014 wordt de verzoekende partij opgesloten in de gevangenis.
1.10. Op 18 maart 2015 neemt de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie en
Administratieve Vereenvoudiging een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden
met bevel om het grondgebied te verlaten. Tegen voormelde beslissing dient de verzoekende partij een
beroep in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de Raad).
1.11. Bij arrest nr. 155 100 van 22 oktober 2015 verwerpt de Raad het beroep vermeld in punt 1.10.
1.12. Op 16 januari 2018 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot verblijf op
grond van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied,
het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet).
1.13. Op 16 februari 2018 neemt de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie en
Administratieve Vereenvoudiging een beslissing waarbij de aanvraag vermeld in punt 1.12. ongegrond
wordt verklaard.
1.14. Op 12 januari 2018 wordt de verzoekende partij gehoord en vult zij hiertoe een vragenlijst
hoorrecht in.
1.15. Op 2 juli 2018 neemt de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie en
Administratieve Vereenvoudiging een beslissing houdende een bevel om het grondgebied te verlaten
met vasthouding met het oog op verwijdering. Dit is de eerste bestreden beslissing waarvan de
motieven luiden als volgt:
“Bevel om het grondgebied te verlaten
(…)
wordt het bevel gegeven het grondgebied van België te verlaten, evenals het grondgebied van de staten
die het Schengenacquis ten volle toepassen(2), tenzij hij beschikt over de documenten die vereist zijn
om er zich naar toe te begeven.
REDEN VAN DE BESLISSING EN VAN DE AFWEZIGHEID VAN EEN TERMIJN OM HET
GRONDGEBIED TE VERLATEN:

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT