Arrêt Nº 135/2019. Cour constitutionnelle (Cour d'Arbitrage), 2019-10-17

CourtGrondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Docket NumberF-20191017-1
Judgement Number135/2019
Rolnummer 6713
Arrest nr. 135/2019
van 17 oktober 2019
A R R E S T
__________
In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 25 december
2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens », ingesteld door de vzw « Ligue
des Droits de l’Homme ».
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen,
J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet,
R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder
voorzitterschap van voorzitter F. Daoût,
wijst na beraad het volgende arrest :
*
* *
2
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 juli 2017 ter post
aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 juli 2017, heeft de vzw « Ligue des
Droits de l’Homme » (thans « Ligue des droits humains »), bijgestaan en vertegenwoordigd
door Mr. C. Forget, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot gehele of gedeeltelijke (de
artikelen 3, § 1, en 8, § 2, en hoofdstuk 11) vernietiging ingesteld van de wet van
25 december 2016 « betreffende de verwerking van passagiersgegevens » (bekendgemaakt in
het Belgisch Staatsblad van 25 januari 2017).
De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en
Mr. C. Caillet, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de
verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook
een memorie van wederantwoord ingediend.
Bij beschikking van 26 juni 2019 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en
R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting
zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van
die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een
verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 juli 2019 en de zaak in beraad zal worden
genomen.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 juli 2019
in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met
betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. In rechte
A
A.1. De verzoekende partij zegt te doen blijken van een belang om in rechte te treden door het feit dat haar
doel erin bestaat onrechtvaardigheid en elke willekeurige aantasting van de rechten van een individu te bestrij den
en elk initiatief te bevorderen dat strekt tot de totstandkoming en d e bevordering van de rechten en vrijheden.
Het aanklagen van een wet die bep aalde grondrechten lijkt aan te tasten, maakt deel uit van haar opdrachten . Het
Hof heeft overigens haar belang o m in rechte te treden ree ds erkend, onder meer bij het arrest nr. 84/2015,
waarin zij de wet van 30 juli 2013 « betreffende de elektronische communicatie » aanvocht.
Eerste middel
A.2. Het eerste middel, i n hoofdorde geformuleerd, is afgeleid uit de schending van artikel 22 va n de
Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Algemene verordening gegevensbescherming
(hierna : de « AVG »), met de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
3
A.3.1. De verzoekende partij stelt vast dat het doel van de bestreden wet van 25 december 2016
« betreffende de verwerking van passagiersgegevens » (hierna : de « PNR-wet ») dubbel is : enerzijds, de
« PNR-gegevens » van passagiers beschermen, waardoor dit doel gelinkt is aan artike l 16 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU) en, anderzijds, terroristische misdrijven en
ernstige grensoverschrijdende criminaliteit bestrijden, waardoor dit doel gelinkt is aan artikel 87 van het VWE U
dat betrekking heeft op justitiële samenwerking in strafzaken en op politiële samenwerking.
Gelet op die dubbele doelstelling, zoals zij onder meer blijkt uit het ad vies van het Hof van Justitie nr. 1/15
van 26 juli 2017 betreffende het ontwerp van « PNR-overeenkomst » tussen de Europese Unie en Canada, valt
de « PNR-wet » onder de toepassing van zowel de « AVG » als die van de richtlijn (EU) 2016/680 van het
Europees Parlement en de R aad van 27 april 2 016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in
verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde au toriteiten met het oog op de voorkoming,
het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten o f de tenuitvoerlegging van straffen, en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad »
(hierna : de richtlijn (EU) 2016/680/EU).
A.3.2. De verzoekende partij herinnert eraan dat het E uropees Hof voor de Rechten van de Mens een ruime
interpretatie geeft aan het begrip « privéleven » in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten
van de mens, gelezen in het licht van het Verdrag nr. 108 van 28 januari 1981 van de Raad van Europa « tot
bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens », het enige
dwingende instrument op dat gebied dat de inachtneming vereist van de beginselen van loyauteit, rechtmatigheid,
doelmatigheid, kwaliteit en evenredigheid bij de verwerking van persoonsgegevens. Het Hof van Justitie onderzoekt
de verenigbaarheid van een inmenging in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie, rekening houdend met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende artikel 8
van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Te dezen impliceert de « PNR-wet » een inme nging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in
het recht op b escherming van de persoonsgegevens, in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de
rechten van de mens en de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De
verzoekende partij verwijst in dat verband naar de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi die voorafging aan het
advies van het Hof van Justitie nr. 1/15.
Opdat die inmenging in ove reenstemming zou zijn met artikel 52 , lid 1, van dat Handvest, moet zij
beantwoorden aan de criteria van wettigheid, noodzakelijkheid in het licht van het nagestreefde doel en
evenredigheid, wat te dezen niet het geval is volgens de verzoekende partij.
A.4. De « PNR-wet » verleent een ruime beoo rdelingsmarge aan de uitvoerende macht, die zij ermee belast
om bij koninklijk besluit bepaalde essentiële elementen vast te leggen - waaronder de gegevens die moeten
worden verzameld of de nadere regels voor het doorsturen ervan per vervoerssector en voor elke operator
(artikelen 3, § 2, en 7, § 3, in fine) -, wat in strij d is met het wettigheidsbeginsel, dat vereist dat de inmenging bij
wet wordt vastgele gd of, in geval van delegatie aan d e Koning, dat de essentiële elementen voldoende
nauwkeurig en gedetailleerd door de wet worden vastgelegd.
De afdeli ng wetgeving van de Raad van State gaf overigens aan, in haar advies over het ontwerp van wet
dat de « PNR-wet » is geworden, dat zij onmogelijk de evenredigheid van de maatregel kon toetsen, gezien de
ruime beoordelingsmarge die aan de uitvoerende macht werd gelaten.
A.5.1. Volgens de verzoekende partij stree ft de bestreden wet geen legitiem doel na. Zij voorziet i mmers in
een demarche van « pre-screening », die erin bestaat het risico dat passagiers vormen te beoordelen vóór de
aankomst, de doorreis of het vertrek op het nationaal gron dgebied. Die pre-screening bestaat uit twee sporen :
enerzijds, het zoeken naar positieve overeenstemmingen in de gegevensbanken die door de bevoegde diensten
worden beheerd en, ande rzijds, het uitfilteren van risicovolle passagiersprofielen, op basis van
« dreigingsindicatoren ». De « Passagiersinformatie-eenheid » (hierna : de PIE), opgericht binnen d e
FOD Binnenlandse Zaken, is belast met het bewaren en het verwerken van de gegevens die door de vervoerders
en reisoperatoren zijn doorgestuurd, en moet de positieve overeenstemming « hit », die vervolgens zal worden
omgezet in een « match », valideren. De tekst bevat gee n opsomming van de gegevensbanken die moeten
worden gekruist, noch van de exacte gegevens die in de gegevensbank van de PIE moeten worden opgenomen.

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI