Décision judiciaire de Raad van State, 5 mai 2022

Date de Résolution 5 mai 2022
JuridictionCassatie
Nature Arrest

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER A R R E S T nr. 253.652 van 5 mei 2022 in de zaak A. 234.117/VII-41.171 In zake : 1. Angelo WALRAVEN 2. Elisabeth MULDERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Nick Parthoens kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. Reginald SCHREINEMACHER 2. Marc SCHREINEMACHER 3. Julie SCHREINEMACHER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Sarah Houben kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 16 juli 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-1095 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 10 juni 2021 in de zaak 1920-RvVb-0576-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 17 augustus 2021. VII-41.171-1/13

De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 27 januari 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april 2022. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Valérie Vandecaetsbeek, die loco advocaten Koen Geelen en Nick Parthoens verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Wim Mertens, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 19 februari 2020 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning aan Walraven – Mulders voor “de bouw van een woning”. VII-41.171-2/13

4. Het bestreden arrest:

– verklaart het eerste en het zesde middel van Schreinemacher cons. “gegrond met betrekking tot de schending van de artikelen 2.1.3.1 en 2.1.4.2 Verkavelingsvoorschriften en artikel 4.4.1 VCRO” , – vernietigt de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie, en – stelt het bestreden arrest “in de plaats van de bestreden beslissing en weigert een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een woning”. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 5. Walraven en Mulders hebben een “verzoek tot voortzetting” ingediend waarin zij repliceren op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van Walraven en Mulders. Dit procedurestuk waarin zij onder meer de “[w]eerlegging van het standpunt van” de auditeur opnemen wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre daarin wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover het daarnaast de neerslag vormt van de uiteenzetting van Walraven en Mulders ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt Walraven en Mulders 6. Walraven en Mulders voeren machtsoverschrijding aan en de schending van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 4.3.1 en 4.4.1 van de VII-41.171-3/13

Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna:VCRO) en “de artikelen 2.1.3.1, 2.1.3.2, 2.1.4.2 en 2.3.3 van de verkavelingsvergunning van 5 mei 2009; Doordat, eerste onderdeel, de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat de geveluitsprong in de aanvraag van de verzoekende partijen strijdig is met artikel 2.1.4.2 van de verkavelingsvergunning van 5 mei 2009 omdat zij niet het daarin vermelde type constructie zou zijn zonder te oordelen of hiervoor een afwijking kan worden verleend;

Doordat, tweede onderdeel, de Raad voor de vergunningsbetwistingen oordeelt dat de afrit naar de kelder en een lichtkoker een schending zijn van de artikelen 2.1.3.1 en 2.1.4.2 van de verkavelingsvergunning van 5 mei 2009 omdat zij niet het daarin vermelde type constructie zijn, waarvan zij meent dat geen afwijking kan worden verleend;Terwijl, artikel 149 Gw. de rechter de verplichting oplegt om zijn rechterlijke uitspraak correct te motiveren;En terwijl, artikel 4.4.1 VCRO afwijkingen op een verkavelingsvergunning toelaat voorzover het niet gaat om een wijziging van de bestemming, de maximaal mogelijke vloerterreinindex en het aantal bouwlagen, zodat de motivering dat een bepaalde afwijking niet overeenstemt...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT