Décision judiciaire de Raad van State, 21 octobre 2021

Date de Résolution21 octobre 2021
JuridictionNietigverklaring
Nature Arrest

De verzoekende partij hekelt dat er ruim twintig jaar is verstreken tussen de aanmaning en de kennis van de verontreiniging. Zij hanteert ten onrechte als uitgangspunt van de (onredelijk geachte) termijn de datum waarop OVAM het verslag van oriënterend bodemonderzoek heeft ontvangen. Vooraleer OVAM de verzoekende partij kon aanmanen, diende immers hoe dan ook nog een administratieve procedure te worden doorlopen, waarbij in elk geval ook nog een beschrijvend bodemonderzoek moest worden uitgevoerd, vooraleer kon worden overgegaan tot de aanmaning om bodemsanering uit te voeren. In 1996 stond in elk geval nog niet met zekerheid vast dat zij zou worden aangesproken voor bodemsanering, aangezien het (op dat moment nog uit te voeren) beschrijvend bodemonderzoek er net is op gericht om onder meer zekerheid te verkrijgen over de aard en de oorzaak van de verontreiniging. De oorzaak van de vervuiling en de noodzaak tot sanering stond derhalve eerst met zekerheid vast in 2011, de datum waarop het beschrijvend bodemonderzoek conform is verklaard. Tussen 2012 en 9 november 2016, de datum van de aanmaning tot bodemsanering, was er geen contact meer tussen de partijen. Als uitgangspunt voor het berekenen van de (onredelijk geachte) termijn, is het niet onredelijk om uit te gaan van de datum van 19 juli 2012, of hooguit 9 december 2011. De verzoekende partij overtuigt alleszins niet van het tegendeel. De verwerende partij geeft concreet aan waarom zij van oordeel is dat er geen schending van de redelijke termijn voorligt. De verzoekende partij maakt de onwettigheid van de desbetreffende overwegingen niet aannemelijk.

In het in 2011 conform verklaarde beschrijvend bodemonderzoek wordt vastgesteld dat het om een historische bodemverontreiniging gaat die een ernstige bedreiging vormt, alsook dat een sanering noodzakelijk is. In een dergelijk geval volgt uit art. 19, § 2, van het bodemdecreet dat tot bodemsanering wordt overgegaan en uit art. 22 dat OVAM de saneringsplichtige aanduidt. De verzoekende partij voert dan ook niet nuttig aan dat zij erop had moeten kunnen vertrouwen dat zij niets meer zou moeten ondernemen, temeer nu zij zowel exploitant als eigenaar van de grond is en zij in die beide hoedanigheden in 2012 een vrijstelling van saneringsplicht heeft aangevraagd. Het louter verstrijken van een viertal jaar tussen de aanvraag tot vrijstelling van saneringsplicht en de aanmaning tot uitvoering van de bodemsanering doet geen afbreuk aan die decretale...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT