Décision judiciaire de Raad van State, 17 mai 2021

Date de Résolution17 mai 2021
JuridictionNietigverklaring
Nature Arrest

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

A R R E S T

nr. 250.612 van 17 mei 2021 in de zaak A. 221.044/VII-39.866

In zake : 1. Peter HOUDMEYERS 2. Ilse REDIERS 3. Marc KEUNEN 4. Kristien ELSEN allen woonplaats kiezend te 3583 Tervant Dullardstraat 7

tegen :

het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij:

de NV BIONERGA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen

-------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 22 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 20 oktober 2016 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 29 augustus 2013, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de NV Bionerga voor een nieuwe afvalenergiecentrale, gelegen aan de Industrieweg te Beringen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de vergunning onder voorwaarden wordt verleend.

VII-39.866-1/47

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 241.686 van 31 mei 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van de derde verzoekende partij verworpen.

De derde verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

De NV Bionerga heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 februari 2017 . De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld.

De eerste en derde verzoekende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 april 2021.

Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Peter Houdmeyers, die in persoon verschijnt, advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Thomas Quintens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

VII-39.866-2/47

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De tussenkomende partij dient op 18 maart 2013 een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning klasse 1 voor de exploitatie van een nieuwe (biostoom)afvalcentrale gelegen aan de Industrieweg in Beringen, kadastraal gekend als afdeling 2, Sectie A, perceelnummers 191D (deel), 243E (deel) en 459Y (deel). De energiecentrale beschikt over een verwerkingscapaciteit van 200.000 ton afval per jaar.

3.2. Op 29 augustus 2013 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg de vergunning onder voorwaarden, met uitzondering van de grondwaterwinning.

3.3. Hiertegen worden enkele bestuurlijke beroepen aangetekend bij de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw.

3.4. Op 20 oktober 2016 verklaart de minister de beroepen gedeeltelijk gegrond en verleent zij de vergunning onder gewijzigde voorwaarden.

Dit is de bestreden beslissing.

3.5. De stedenbouwkundige vergunning dateert van 5 december 2013.

VII-39.866-3/47

IV. Rechtspleging

4. In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld.

Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerdewetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag.

De laatste memorie is enkel ondertekend door de eerste en de derde verzoekende partij, hierna verzoekers genoemd. De tweede en de vierde verzoekende partij hebben geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend.

5. Het vermoeden van afstand van geding in hoofde van de tweede en de vierde verzoekende partij is te dezen van toepassing.

V. Ontvankelijkheid

Standpunt van de tussenkomende partij

6. De tussenkomende partij werpt op dat verzoekers niet over het rechtens vereiste belang bij de procedure beschikken, minstens niet aantonen dat de bestreden beslissing ten aanzien van hen griefhoudend is.

Zij wijst daarbij in eerste instantie op het feit dat “geen van de woningen van verzoekers in de onmiddellijke omgeving van de inrichting gelegen is”, en dat de woning van de eerste en de vierde verzoekende partij, die op hetzelfde adres zijn ingeschreven, op 880 meter van de inrichting ligt.

VII-39.866-4/47

Ook de hinder die verzoekers beweren te zullen lijden, is volgens haar niet aangetoond: uit het milieueffectenrapport dat de invloed van emissies in de lucht verwaarloosbaar is, en ook van verzuring, is er geen sprake. Voorts zou uit het MER en het mobiliteitseffectenrapport (hierna: MOBER) blijken dat de geplande inrichting geen hinder teweegbrengt op het vlak van mobiliteit. Aangezien de gevraagde grondwaterwinning niet werd vergund in de bestreden beslissing, kunnen verzoekers er volgens haar geen rechtmatig belang uit putten. Bovendien blijkt uit het MER dat de grondwaterkwaliteit niet tot slechts matig negatief beïnvloed kan worden. Gelet op de afstand van de woningen van verzoekers tot de betrokken inrichting, valt volgens de tussenkomende partij niet in te zien op welke wijze zij hinder kunnen ondervinden op het vlak van verstoring van grondwaterstromen.

Ten slotte betwist de tussenkomende partij formeel de insinuaties van intimidatie en belangenvermenging, waarvoor verzoekers geen enkel bewijs bijbrengen, en waarvan niet valt in te zien hoe zij daarop hun belang zouden kunnen steunen.

Beoordeling

7. Om het belang aan te tonen bij de nietigverklaring van de vergunning voor de exploitatie van een hinderlijke inrichting, moet wie opkomt tegen die vergunning minstens aannemelijk maken dat hij hinder of nadeel kan ondervinden door de exploitatie. Er moet niet worden aangetoond dat die hinder onaanvaardbaar is. De afstand tussen de woonplaats van de omwonende en de plaats waar de hinder zijn oorsprong vindt, geldt daarbij als een belangrijk objectief criterium. De weging van het objectief gegeven van de afstand tussen de vergunde inrichting en de woonomgeving van de verzoekende partij hangt af van de concrete gegevens van de zaak, in het bijzonder van de aard en de kenmerken van de vergunde inrichting.

Aangezien de bestreden milieuvergunning een inrichting van klasse I betreft, dit is het type van inrichting dat door de decreetgever als meest hinderlijk wordt beschouwd, moet, mede gelet op de aard van de vergunde

VII-39.866-5/47

activiteiten, worden aangenomen dat de exploitatie ervan merkbare gevolgen kan hebben in de woonomgeving van verzoekers. Deze woningen zijn immers gelegen binnen de contouren van het raster dat in het MER wordt gehanteerd voor de studie van de discipline lucht en dat werd vastgelegd op basis van “een inschatting van […] de mogelijke toekomstige emissies en immissies”. Minstens kan de Raad van State, rekening houdend met de concrete gegevens van de zaak, niet met absolute zekerheid vaststellen dat verzoekers op hun woonplaats geen enkele hinder van de betrokken exploitatie zullen ondervinden, aangezien in het MER wordt erkend dat de nieuwe installatie een invloed zal hebben voor alle polluenten conform het Richtlijnenboek Lucht. Dat die invloed hooguit beperkt is, doet daaraan geen afbreuk.

De exceptie wordt verworpen.

VI. Onderzoek van de middelen

  1. Eerste middel

Standpunten van de partijen

8. In een eerste middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 1.2.1, 4.1.1, 4.1.4, 4.3.2, 4.3.7 en 4.3.8 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), van artikel 2 en de bijlagen I, II en III van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (hierna: project-MER-besluit), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en van het zorgvuldigheids-, het voorzorgs-, het stand-still-, het redelijkheids-, het onpartijdigheids- en het motiveringsbeginsel, en het beginsel van participatie en openbaarheid van bestuur.

8.1. In een eerste middelonderdeel werpen verzoekers op dat het betrokken project MER niet langer actueel is, omdat het ten tijde van de bestreden beslissing ruim drie jaar oud was. De bestreden beslissing steunt bijgevolg op een

VII-39.866-6/47

project-MER waarbij van verouderde evaluatiemethodes gebruik wordt gemaakt, en gaat niet uit van de huidige beschikbare wetenschappelijke en technologische kennis. Er wordt evenmin rekening gehouden met de toestand van het milieu ten tijde van de bestreden beslissing en met de op dat moment geldende milieukwaliteitsnormen. Het project-MER steunt op beleidsplannen die niet meer van kracht zijn. Verzoekers wijzen erop dat op 16 september 2016 door de Vlaamse regering een nieuw afvalplan werd goedgekeurd. Ook de meetresultaten in het project-MER zijn verouderd, terwijl milderende maatregelen moeten worden bepaald aan de hand van de actuele en beschikbare milieu-informatie. Verder waren de instandhoudingsdoelstellingen nog...

Pour continuer la lecture

SOLLICITEZ VOTRE ESSAI