Vonnis van Raad van State, February 01, 2021

Datum uitspraak:2021/02/01
Jurisdictie:Nietigverklaring
Nature:Arrest
SAMENVATTING

Een gemeente beschikt in beginsel over het vereiste belang om een beroep tot nietigverklaring in te dienen tegen een milieuvergunning die, zoals te dezen, werd verleend voor een hinderlijke inrichting op haar grondgebied. De tussenkomende partij maakt haar bewering dat er sprake zou zijn van een "kennelijk onredelijk beleid" niet met concrete gegevens aannemelijk.

 
GRATIS UITTREKSEL

Bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag moet de overheid de regels inzake ruimtelijke ordening betrekken. Het gegrond bevinden van het middel kan leiden tot het onwettig bevinden van de bestreden vergunning zodat de inrichting niet zou kunnen worden geëxploiteerd. Dit is het doel dat de verzoekende partij met haar annulatieberoep nastreeft. Zij heeft dan ook belang bij het middel.

Dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt vermeld dat de procedure omtrent de stedenbouwkundige vergunning nog lopende was, is te dezen niet relevant. De milieuvergunning, wordt overeenkomstig art. 5, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, hoe dan ook geschorst zolang de stedenbouwkundige vergunning niet definitief is verleend. Het aangevoerde gebrek in de motivering is dan ook niet van aard de draagwijdte van de bestreden beslissing te beïnvloeden.

Uit art. 4.3.1, § 2, 1°, VCRO volgt dat de "overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening" wordt beoordeeld met inachtneming van de beginselen die in § 2 zijn opgenomen, "dat de decreetgever indiciën aangeeft met betrekking tot de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening" en "dat deze aandachtspunten en criteria slechts 'voor zover noodzakelijk en relevant' in rekening moeten worden gebracht, d.w.z. als er een 'wettelijke' (in ruime zin) verplichting of een klare aanleiding is om deze punten in rekening te brengen". De overheid dient derhalve niet elk aspect van de goede ruimtelijke ordening zoals vermeld in art. 3.1, § 2, VCRO, al dan niet afzonderlijk, in haar beoordeling te betrekken. Zij maakt evenmin aannemelijk dat er te dezen een "wettelijke verplichting" of een "klare aanleiding" bestond om deze punten in rekening te brengen.

Het is niet omdat een gebouw zichtbaar is, dat het per definitie onaanvaardbaar is op visueel vlak. Een en ander hangt immers af van de concrete situatie ter plaatse.

De vergunningverlenende overheid moet zich uitspreken over de milieuvergunningsaanvraag zoals die haar door de initiatiefnemer van het project wordt voorgelegd. Het feit dat in het verleden een vergunning werd geweigerd of aan een exploitant van de inrichting een bestuurlijke maatregel werd opgelegd, impliceert niet dat elke latere aanvraag met betrekking tot die inrichting ook moet worden geweigerd. Elke vergunningsaanvraag moet immers op haar eigen verdiensten worden beoordeeld, in het licht van de actueel geldende technische normen, mogelijkheden en inzichten.

Het behoort tot de discretionaire...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT