Vonnis van Raad van State, January 21, 2021

Datum uitspraak:2021/01/21
Jurisdictie:Nietigverklaring
Nature:Arrest
SAMENVATTING

Er kan niet worden ingegaan op de vraag om het voorwerp uit te breiden tot het besluit van de Omgevingsinspectie Vlaams-Brabant van 2 mei 2019 waarbij als bestuurlijke maatregel de stopzetting van de exploitatie wordt bevolen, onder verbeurte van een dwangsom. Om in te gaan op een dergelijke vraag tot uitbreiding is onder meer vereist dat de RvS vaststelt dat het bestuur de oorspronkelijk... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

A R R E S T

nr. 249.542 van 21 januari 2021 in de zaak A. 225.132/VII-40.263

In zake : de NV HELI SERVICE BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bram Van den Berghe en Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout

Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

Bruno DRIESKENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Kurt Stas kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen

--------------------------------------------------------------------------------------------------

I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 4 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het afdelingshoofd van de afdeling Handhaving van 7 maart 2018 waarbij het beroep van de tussenkomende partij ingesteld tegen de beslissing van de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw van 5 februari 2018 om geen bestuurlijke maatregelen op te leggen ten aanzien van de helihaven, gelegen te Sint-Pieters-Leeuw, Pepingensesteenweg 250, ontvankelijk wordt verklaard.

    VII-40.263-1/14

    ‡CBBVKAJFJ-BEEBHDV‡

    II. Verloop van de rechtspleging

  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

    Bruno Drieskens heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 juli 2018. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

    Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.

    De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.

    De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 november 2020.

    Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

    Advocaat Glenn Declercq, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

    Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

    Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

    VII-40.263-2/14

    ‡CBBVKAJFJ-BEEBHDV‡

    III. Feiten

    3.1. De verzoekende partij exploiteert te Sint-Pieters-Leeuw een helihaven.

    3.2. Bij arrest nr. 241.145 van 29 maart 2018 vernietigt de Raad van State het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 19 november 2015 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw van 15 juni 2015, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Heli Service Belgium voor het verder exploiteren van een helihaven, niet wordt ingewilligd.

    3.3. In het kader van de heroverweging na dit arrest verklaart de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op 12 juli 2018 het bestuurlijk beroep ingesteld tegen voornoemde beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw zonder voorwerp. Tegen deze beslissing heeft de verzoekende partij bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring ingediend (zaak A. 225.926/VII-40.361).

    3.4. Op 2 november 2016 heeft de tussenkomende partij aan de afdeling Milieu-inspectie een verzoek gericht om ten aanzien van de betrokken inrichting bestuurlijke maatregelen op te leggen. De afdeling Milieu-inspectie stuurt het verzoek door naar de gemeentelijke toezichthouder. Vervolgens beslist de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw op 21 december 2016 om het verzoek niet in te willigen.

    3.5. Tegen voormelde beslissing stelt de tussenkomende partij op 6 januari 2017 beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.

    3.6. Met een besluit van 10 maart 2017 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het bestuurlijk beroep gegrond. Overeenkomstig artikel 67 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 ‘tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995

    VII-40.263-3/14

    ‡CBBVKAJFJ-BEEBHDV‡

    houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ wordt het dossier terug gestuurd naar de in eerste aanleg bevoegde instantie teneinde het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen opnieuw te behandelen.

    3.7. Op 19 juni 2017 neemt de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw een nieuwe beslissing waarbij het verzoek andermaal ongegrond wordt verklaard en geen bestuurlijke maatregelen worden opgelegd.

    3.8. Ook tegen deze beslissing stelt de tussenkomende partij beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.

    3.9. Met het thans bestreden besluit van 7 maart 2018 wordt dit beroep door het afdelingshoofd van de afdeling Handhaving ontvankelijk verklaard.

    IV. Ontvankelijkheid van het beroep

    Excepties nopens het voorwerp van en het belang bij het beroep

    4. De verwerende partij werpt op dat de bestreden beslissing geen definitieve administratieve rechtshandeling vormt en anderzijds dat die beslissing de verzoekende partij niet rechtstreeks en zeker benadeelt.

  3. De tussenkomende partij van haar kant stelt dat de verzoekende partij niet over het in rechte vereiste belang beschikt aangezien voor de exploitatie van de inrichting geen uitvoerbare milieuvergunning voorhanden is. Tegelijk wijst zij op de verslagen van het auditoraat in de zaken A. 219.900/VII-39.738, A. 221.080/VII-39.872 en A. 222.184/VII-39.984, waarbij wordt geadviseerd de beroepen af te wijzen omdat een ongeoorloofd belang zou worden nagestreefd.

  4. In haar memorie van wederantwoord zet de verzoekende partij over de opgeworpen excepties het volgende uiteen:

    “[…] Vooreerst dient vastgesteld te worden dat het zeer opmerkelijk is dat de

    VII-40.263-4/14

    ‡CBBVKAJFJ-BEEBHDV‡

    ‡CBBVKAJFJ-BEEBHDV‡

    verwerende partij in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het beroep betwist, terwijl zij zelf in de bestreden beslissing aangeeft dat een beroep tot schorsing en/of nietigverklaring bij Uw Raad kan worden ingesteld tegen de ontvankelijkheidsbeslissing.

    De verwerende partij doet in haar memorie van antwoord uitschijnen dat de vermelding van de beroepsmogelijkheden geen enkele juridische waarde zou hebben. Deze stelling klopt geenszins, nu conform de openbaarheid van bestuur, de eventuele beroepsmogelijkheden moeten vermeld worden in de administratieve beslissing. De sanctie voor het niet meedelen van de beroepsmogelijkheden heeft tot gevolg dat de beroepstermijn niet begint te lopen, en alleszins krachtens art. 19, tweede lid RvS-wet pas begint te lopen na vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT