Arrest nr. 182/2018 van Grondwettelijk Hof, 19 december 2018

Datum uitspraak:19 december 2018
Uitgevende instantie::Grondwettelijk Hof
SAMENVATTING

Decreet van het Vlaamse Gewest van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (art. 16.4.25, in samenhang gelezen met art. 16.4.29 van hetzelfde decreet en met art. 44 van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges)

 
GRATIS UITTREKSEL

In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 16.4.25 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, in samenhang gelezen met artikel 16.4.29 van hetzelfde decreet en met artikel 44 van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, gesteld door het Milieuhandhavingscollege.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

  1. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

    Bij arrest van 5 december 2017 in zake Henri Pauwels tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 december 2017, heeft het Milieuhandhavingscollege de volgende prejudiciële vraag gesteld :

    Schendt artikel 16.4.25 DABM [decreet van het Vlaamse Gewest van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid], samen gelezen met artikel 16.4.29 DABM en artikel 44 DBRC-decreet [Vlaams decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges], de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover, voor de overtreder op wie de georganiseerde procedure van bestuurlijke beboeting van toepassing is, niet in de mogelijkheid voorzien wordt om geheel of gedeeltelijk uitstel van de uitvoering van de alternatieve bestuurlijke beboeting toe te kennen, in de zin van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, terwijl een dergelijke mogelijkheid wel bestaat ten gunste van een overtreder die, voor hetzelfde misdrijf, het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijke procedure, in zoverre hierdoor een verschil in behandeling zou ontstaan dat niet redelijk kan verantwoord worden ?

    .

    Memories en memories van antwoord zijn ingediend door :

    - Henri Pauwels, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Leysen, advocaat bij de balie te Antwerpen;

    - het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Vincke, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen.

    Bij beschikking van 17 oktober 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers E. Derycke en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 14 november 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen.

    Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 14 november 2018 in beraad genomen.

    De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

  2. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

    Op 2 september 2014 doen de bevoegde verbalisanten een aantal vaststellingen met betrekking tot Henri Pauwels, die in een proces-verbaal worden opgenomen en aan de procureur des Konings worden bezorgd. Op 4 november 2014 meldt de procureur des Konings dat hij niet tot strafrechtelijke vervolging zal overgaan.

    Op 29 augustus 2016 beslist de gewestelijke entiteit om aan Henri Pauwels een alternatieve bestuurlijke geldboete van 13 776 euro op te leggen wegens schending van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 en van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer. Volgens de gewestelijke entiteit maken die inbreuken een milieumisdrijf uit zoals bedoeld in artikel 16.1.2, 2°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : het decreet van 5 april 1995), waarvoor een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd overeenkomstig artikel 16.4.25 van hetzelfde decreet.

    Bij aangetekend schrijven van 13 oktober 2016 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing een beroep tot vernietiging in bij het Milieuhandhavingscollege, thans het Handhavingscollege genaamd. Zij voert daarbij onder meer aan dat het voormelde artikel 16.4.25 van het decreet van 5 april 1995 afbreuk doet aan het gelijkheidsbeginsel, doordat die bepaling het niet mogelijk maakt voor het Handhavingscollege om een geldboete...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT