Arrest nr. 175/2018 van Grondwettelijk Hof, 6 december 2018

Datum uitspraak: 6 december 2018
Uitgevende instantie::Grondwettelijk Hof
SAMENVATTING

Burgerlijk Wetboek (art. 2244, § 1, derde lid)

 
GRATIS UITTREKSEL

In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

  1. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

    Bij arrest van 12 september 2017 in zake Baudouin Jolly en Marie-Noëlle Jolly tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 oktober 2017, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

    Schendt artikel 2244 § 1 3de lid van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de lezing dat het een verjaringstuitende werking verleent aan het annulatieberoep bij de Raad van State dat leidt tot een vernietigingsarrest en niet aan het annulatieberoep dat niet leidt tot een vernietigingsarrest ?

    .

    Memories en memories van antwoord zijn ingediend door :

    - Baudouin Jolly en Marie-Noëlle Jolly, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Denys, advocaat bij de balie te Brussel;

    - Annick Meurant, Jan Stevens, Guido Van Loon, Denis Malcorps, Jan Creve en Frank Bels, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie te Antwerpen;

    - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Maes, advocaat bij de balie te Brussel, en Mr. M. Denef, advocaat bij de balie te Leuven.

    Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen.

    Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 oktober 2018 in beraad genomen.

    De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

  2. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

    Op 25 juli 2003 stelden B. Jolly en M.-N. Jolly tegen het Vlaamse Gewest een vordering tot schadevergoeding in voor onrechtmatig overheidshandelen, wegens de onwettige wijziging van de bestemming van hun gronden van woonpark naar parkgebied bij het gewestplan van 7 maart 1977, de laattijdige uitvoering van de arresten van de Raad van State van 7 juni 1983 die deze bestemmingswijziging vernietigden en de onwettige bestemming van hun gronden tot parkgebied bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel oordeelde in haar vonnis van 28 januari 2013 dat de vordering van de eisende partijen verjaard was op grond van artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991 (hierna : de wetten op de Rijkscomptabiliteit).

    Op 29 april 2013 stelden B. Jolly en M.-N. Jolly hoger beroep in bij het Hof van Beroep te Brussel. De verwijzende rechter stelt dat de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel terecht heeft geoordeeld dat artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit van toepassing is op de vordering. De schuldvordering van de appellanten is immers ontstaan op het ogenblik dat de schade ontstaat. Het voortduren van de onwettige toestand is volgens de verwijzende rechter enkel relevant voor de omvang van de schade en niet voor de aanvang van de verjaringstermijn.

    De verwijzende rechter stelt vast dat de vordering tot schadevergoeding wegens de onwettige vaststelling van de bestemmingswijziging van hun gronden bij het gewestplan van 7 maart 1977 en de laattijdige uitvoering van de arresten van de Raad van State van 7 juni 1983 reeds verjaard was ten tijde van de dagvaarding. Voor zover de vordering steunt op de onwettige bestemming van hun gronden tot parkgebied bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, beroepen de appellanten zich op de verjaringstuitende werking van het arrest van de Raad van State van 2 juni 2009 waarbij hun beroep tot nietigverklaring van het gewestplan werd verworpen. Artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek beperkt de verjaringstuitende werking van de arresten van de Raad van State echter tot de vernietigingsarresten. De appellanten verzoeken het Hof van Beroep te Brussel hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. De verwijzende rechter merkt op dat die vraag lijkt op een prejudiciële vraag die reeds gesteld is door een andere kamer van het Hof van Beroep te Brussel bij een arrest van 23 februari 2017. Aangezien die zaak met rolnummer 6640, die toen hangende was, betrekking heeft op een arrest van de Raad van State waarbij het beroep werd verworpen wegens een gebrek aan belang, acht de verwijzende rechter het aangewezen om een afzonderlijke vraag te stellen aan het Hof.

  3. In rechte

    -A-

    A.1. B. Jolly en M.-N. Jolly, appellanten in het bodemgeschil, menen dat beroepen bij de administratieve rechter steeds een schorsende werking zouden moeten hebben ten aanzien van de verjaring van de vordering bij de burgerlijke rechter. Aangezien de rechtzoekende op voorhand onmogelijk kan weten of zijn beroep tot vernietiging voor de administratieve rechter succesvol zal zijn, vereist de gelijke behandeling van de rechtzoekenden dat alle beroepen tot vernietiging van rechtswege een schorsende en stuitende werking van de verjaring hebben. Voorts kunnen er verscheidene redenen zijn waarom de Raad van State uiteindelijk niet overgaat tot de vernietiging van de aangevochten beslissing. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie hebben die arresten overigens geen gezag van gewijsde voor de hoven en rechtbanken. Het valt dan ook moeilijk te verantwoorden waarom een verwerpingsarrest niet stuitend zou werken, aangezien de gewone rechter ertoe wordt aangezet de aangevoerde onwettigheid aan een eigen onderzoek te onderwerpen. Ten slotte biedt de uitbreiding van de bevoegdheid van de Raad van State tot het vergoedingscontentieux geen oplossing voor het probleem van de toepassing van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek in zijn huidige vorm, aangezien die ook veronderstelt dat de Raad van State een onwettigheid vaststelt. De appellanten in het bodemgeschil zijn bijgevolg van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord.

    A.2.1. A. Meurant, J. Stevens, G. Van Loon, D. Malcorps, J. Creve en F. Bels hebben allen procedures lopen voor de Raad van State en wensen om die reden tussen te komen. De tussenkomende partijen zijn van oordeel dat artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek ongrondwettig is omdat de verjaringstuitende werking afhangt van het formele resultaat van de procedure voor de Raad van State, namelijk of de Raad al dan niet besluit tot een vernietiging. De vereiste van een formele vernietiging van de administratieve handeling is niet verantwoord en het verschil in behandeling dat hieruit voortvloeit tussen de rechtzoekenden die een zaak bij de Raad van State aanhangig hebben gemaakt, is kennelijk onredelijk. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de voorwaarde van « vernietigde » rechtshandeling steeds opgevat was als « bestreden » rechtshandeling.

    A.2.2. De beperking van de verjaringstuitende werking kan niet worden verantwoord vanuit proceseconomische overwegingen. De Ministerraad stelt ten onrechte dat de rechtzoekende de zaak niet bij de Raad van State aanhangig hoeft te maken en dat hij zich rechtstreeks tot de burgerlijke rechter kan wenden op grond van artikel 159 van de Grondwet. De Raad van State is immers een gespecialiseerd administratief rechtscollege. Bovendien heeft een vernietigingsarrest erga omnes effect met terugwerkende kracht...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT