Arrest nr. 174/2018 van Grondwettelijk Hof, 6 december 2018

Datum uitspraak: 6 december 2018
Uitgevende instantie::Grondwettelijk Hof
SAMENVATTING

Wet van 25 december 2016 houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en het Strafwetboek, met het oog op de verbetering van de bijzondere opsporingsmethoden en bepaalde onderzoeksmethoden met betrekking tot internet en elektronische en telecommunicaties en tot oprichting van een gegevensbank stemafdrukken (art. 2 en 7)

 
GRATIS UITTREKSEL

In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 2 en 7 van de wet van 25 december 2016 « houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en het Strafwetboek, met het oog op de verbetering van de bijzondere opsporingsmethoden en bepaalde onderzoeksmethoden met betrekking tot internet en elektronische en telecommunicaties en tot oprichting van een gegevensbank stemafdrukken », ingesteld door de vzw « Ligue des Droits de l’Homme » en de vzw « Liga voor Mensenrechten ».

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût,

wijst na beraad het volgende arrest :

  1. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 juli 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 juli 2017, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2 en 7 van de wet van 25 december 2016 « houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en het Strafwetboek, met het oog op de verbetering van de bijzondere opsporingsmethoden en bepaalde onderzoeksmethoden met betrekking tot internet en elektronische en telecommunicaties en tot oprichting van een gegevensbank stemafdrukken » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 januari 2017) door de vzw « Ligue des Droits de l’Homme » en de vzw « Liga voor Mensenrechten », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Ribant en Mr. C. Forget, advocaten bij de balie te Brussel, Mr. J. Heymans, advocaat bij de balie te Gent, en Mr. J. Vander Velpen, advocaat bij de balie te Antwerpen.

De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, Mr. E. de Lophem en Mr. M. Chomé, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend.

Bij beschikking van 18 juli 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. Derycke te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 19 september 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen.

Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 25 september 2018 de dag van de terechtzitting bepaald op 17 oktober 2018.

Op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2018 :

- zijn verschenen :

. Mr. A. Gruwez, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. D. Ribant, voor de vzw « Ligue des Droits de l’Homme »;

. Mr. M. Chomé, tevens loco Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, voor de Ministerraad;

- hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. Derycke verslag uitgebracht;

- zijn de voornoemde advocaten gehoord;

- is de zaak in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte

-A-

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

A.1.1. De vzw « Ligue des Droits de l’Homme » en de vzw « Liga voor Mensenrechten », verzoekende partijen, zijn van mening dat zij, krachtens hun respectief statutair doel, belang erbij hebben de vernietiging te vorderen van de bepalingen van de wet van 25 december 2016 « houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en het Strafwetboek, met het oog op de verbetering van de bijzondere opsporingsmethoden en bepaalde onderzoeksmethoden met betrekking tot internet en elektronische en telecommunicaties en tot oprichting van een gegevensbank stemafdrukken » (hierna : de wet van 25 december 2016) die het recht op een eerlijk proces, het recht op eerbiediging van het privéleven, het gelijkheidsbeginsel en het wettigheidsbeginsel, die zij beogen te verdedigen, negatief kunnen raken.

A.1.2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep niet.

Ten gronde

Wat het eerste middel betreft

A.2. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 2 van de wet van 25 december 2016, van de artikelen 10, 11, 12, 14, 15, 16 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het recht op een eerlijk proces, met de rechten van de verdediging en met het beginsel van wettigheid en voorzienbaarheid in strafzaken.

A.3.1. In het eerste onderdeel van dat middel doen de verzoekende partijen gelden dat de bepaling die zij aanvechten de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt. Zij zetten uiteen dat in tegenstelling tot de geheime zoekingen in een informaticasysteem, die, krachtens artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering, enkel door een onderzoeksrechter kunnen worden bevolen, niet-geheime zoekingen in een informaticasysteem, met toepassing van de bestreden bepaling, die artikel 39bis van hetzelfde Wetboek wijzigt, ofwel op autonome wijze door de politie kunnen worden verricht, ofwel door de procureur des Konings of door de onderzoeksrechter kunnen worden bevolen. Zij wijzen erop dat de bestreden bepaling het parket in bepaalde gevallen de mogelijkheid biedt, zonder het optreden van de onderzoeksrechter, te bevelen dat verbinding wordt gemaakt met de databases waarmee het in beslag genomen toestel is verbonden. Zij besluiten daaruit dat de wetgever aldus het openbaar ministerie heeft toegestaan daden te bevelen die het privéleven rechtstreeks raken, terwijl die daden voordien onder de bevoegdheden van de onderzoeksrechter ressorteerden. Zij zijn van mening dat het niet- geheime karakter van de betrokken zoekingen niet relevant is om de uitsluiting van de onderzoeksrechter in die aangelegenheid te verantwoorden.

De verzoekende partijen zetten uiteen dat de controlemechanismen in het geval van een niet-geheime zoeking veel minder strikt zijn dan in het geval van een geheime zoeking, terwijl dergelijke informaticazoekingen een verreikende en diepgaande binnendringing vormen in het privéleven van elke verdachte en van de andere personen die hetzelfde informaticasysteem gebruiken. Zij voegen eraan toe dat het niet-geheime karakter het gevolg is van een verplichting om a posteriori de verantwoordelijke van het betrokken informaticasysteem te informeren, dus nadat de zoeking heeft plaatsgehad. Zij zijn van mening dat het aldus op het al dan niet geheime karakter van de zoeking gebaseerde criterium van onderscheid arbitrair en subjectief is en het niet mogelijk maakt op redelijke en objectieve wijze de reden te verantwoorden waarom sommige verdachten die het voorwerp uitmaken van een als geheim beschouwde informaticazoeking de sterke rechtsbescherming genieten waarmee een gerechtelijk onderzoek gepaard gaat, terwijl andere verdachten dezelfde bescherming niet genieten. Zij gaan ervan uit dat het anders eraan toe zou gaan indien de niet–geheime zoeking verplicht door de verantwoordelijke van het geviseerde informaticasysteem zou moeten worden toegestaan vóór daartoe zou worden overgegaan. A.3.2.1. De Ministerraad herinnert eraan dat de procureur des Konings onder de gelding van het vroegere artikel 39bis van het Wetboek van strafvordering reeds kon overgaan tot de inbeslagneming van informaticagegevens, op voorwaarde de verantwoordelijke van het informaticasysteem ervan op de hoogte te brengen. Hij zet uiteen dat hoewel die bepaling enkel de inbeslagneming beoogde, het duidelijk was dat de procureur de in beslag genomen gegevens kon doorzoeken. Hij leidt daaruit af dat de bevoegdheid van de procureur des Konings wanneer de inbeslagneming en de zoeking geen geheim karakter hebben, niet nieuw is en dat de kritiek van de verzoekende partijen in die mate te laat komt en dus niet-ontvankelijk is.

A.3.2.2. De Ministerraad doet gelden dat de bescherming waarin was voorzien bij de vroegere wetgeving, in de artikelen 39bis en 88ter van het Wetboek van strafvordering, in werkelijkheid niet is verminderd maar integendeel bij de bestreden wet is versterkt. Hij wijst erop dat de doelstellingen van de wetgever bestaan in de noodzakelijke aanpassing aan de nieuwe technologieën en in de actualisering, de verduidelijking en de vereenvoudiging van het bestaande wetgevende arsenaal. In het algemeen herinnert hij eraan dat de rol van de procureur des Konings in de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden is verankerd in de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden en hij acht het dan ook coherent dat de procureur belangrijke bevoegdheden uitoefent inzake zoeking van informaticagegevens in het kader van een gerechtelijke opsporing.

Hij onderstreept, enerzijds, dat het feit dat de verantwoordelijke van het informaticasysteem zo spoedig mogelijk op de hoogte moet worden gebracht een extra waarborg vormt ten opzichte van het vroegere recht en, anderzijds, dat die waarborg een afwijking vormt van het principe van het geheim van het opsporingsonderzoek, vanuit een zorg om transparantie. Hij voegt eraan toe dat het feit dat de verantwoordelijke van het informaticasysteem op de hoogte wordt gebracht hem de mogelijkheid biedt bij de procureur des Konings om de opheffing van de handeling te verzoeken, met mogelijkheid van beroep bij de kamer van inbeschuldigingstelling, overeenkomstig artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering, hetgeen een persoon ten aanzien van wie een geheime zoeking wordt uitgevoerd niet kan doen. Hij leidt daaruit af dat er inderdaad een beroep bestaat dat openstaat voor de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT