Arrest nr. 176/2018 van Grondwettelijk Hof, 6 december 2018

Datum uitspraak: 6 december 2018
Uitgevende instantie::Grondwettelijk Hof
SAMENVATTING

Wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (art. 9) en wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie (art. 3, 8 en 14, § 1)

 
GRATIS UITTREKSEL

In zake : de prejudiciële vragen over artikel 9 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, en over de artikelen 3, 8 en 14, § 1, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût,

wijst na beraad het volgende arrest :

  1. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

    Bij arrest van 18 oktober 2017 in zake het openbaar ministerie tegen M.E., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 oktober 2017, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

    Schendt artikel 9 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, zoals vervangen bij artikel 14 van de wet van 3 mei 2003, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het alleen de beklaagde die vervolgd wordt wegens een overtreding van de Drugswet toelaat het voordeel te genieten van de toepassing van de bepalingen van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, zelfs indien hij niet voldoet aan de bij de artikelen 3 en 8 van die wet gestelde voorwaarden met betrekking tot de vroegere veroordelingen, terwijl die gunst wordt geweigerd aan de beklaagde die andere misdrijven heeft gepleegd met het oog op zijn eigen drugsgebruik ?

    Schenden de artikelen 3 en 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorwaarden bepalen voor de toekenning van het uitstel en de opschorting zonder een onderscheid te maken tussen de beklaagden naargelang zij al dan niet misdrijven hebben gepleegd met het oog op hun eigen drugsgebruik ?

    In het geval dat bevestigend zou worden geantwoord op de eerste of op de tweede vraag, schendt artikel 14, § 1, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het voorziet in het van rechtswege herroepen van het uitstel ingeval gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf gepleegd is dat veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel ten gevolge heeft gehad, zonder een onderscheid te maken tussen de beklaagden naargelang zij al dan niet misdrijven hebben gepleegd met het oog op hun eigen drugsgebruik ?

    .

    De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend.

    Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen.

    Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 oktober 2018 in beraad genomen.

    De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

    De eisende partij voor het Hof van Beroep te Brussel werd vervolgd voor het ontvreemden van een autoradio, door middel van braak, inklimming of valse sleutels, ten nadele van een persoon die onbekend is gebleven.

    De Correctionele Rechtbank te Brussel veroordeelde, bij een verstekvonnis van 12 juli 2013, die partij meer bepaald tot een gevangenisstraf van een jaar met een probatieuitstel gedurende drie jaar wat betreft het gedeelte van de gevangenisstraf dat overblijft na de voorlopige hechtenis, mits aan een aantal voorwaarden werd voldaan.

    Diezelfde Rechtbank herriep, bij verstekvonnis van 24 juni 2016, de maatregel van probatieuitstel. Uitspraak doende op verzet heeft zij, bij een vonnis dat op 9 juni 2017 bij verstek werd gewezen, de herroeping van de maatregel van probatieuitstel bevestigd. Zowel het openbaar ministerie als de eisende partij hebben hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis van 9 juni 2017.

    Het Hof van Beroep te Brussel heeft, bij een arrest van 11 september 2017, de heropening van de debatten bevolen om de mogelijkheid te bieden, aan het openbaar ministerie, om het vonnis dat op 8 december 2016 werd uitgesproken door de Franstalige Correctionele Rechtbank te Brussel over te leggen en, aan het openbaar ministerie en aan de beklaagde, om zich nader te verklaren over de eventuele toepassing, te dezen, van artikel 14, § 1, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie (hierna : de wet van 29 juni 1964).

    Uit het vonnis van 8 december 2016 volgt dat de beklaagde werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf met een probatieuitstel van vijf jaar voor de helft ervan, wegens diefstallen gepleegd tussen 8 februari 2014 en 25 oktober 2016.

    Tijdens de terechtzitting van 2 oktober 2017 stelde het openbaar ministerie voor toepassing te maken van artikel 9 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (hierna : de Drugswet). Er wordt immers niet betwist en het is niet betwistbaar dat de diefstallen door de beklaagde werden gepleegd om te voorzien in haar eigen drugsgebruik.

    Het Hof van Beroep te Brussel wijst erop dat het in een arrest uitgesproken op 11 september 2017, betreffende andere feiten die door dezelfde beklaagde waren gepleegd, de beklaagde heeft veroordeeld, wegens de haar ten laste gelegde feiten, tot een probatiestraf van achttien maanden op voorwaarde dat een therapeutische behandeling in het centrum Trempoline zou worden opgestart en gevolgd.

    Het Hof van Beroep te Brussel wijst niettemin erop dat artikel 9 van de Drugswet, enerzijds, van toepassing is op misdrijven inzake verdovende middelen, wat niet het geval is voor de feiten die te dezen aan de beklaagde ten laste zijn gelegd en, anderzijds, de mogelijkheid biedt, voor iemand die zulke misdrijven heeft gepleegd met het oog op zijn eigen gebruik, uitstel te genieten zonder te moeten voldoen aan de voorwaarden van artikel 8 van de wet van 29 juni 1964, maar hem in principe niet toelaat te ontsnappen aan het beginsel van de herroeping van rechtswege zoals bepaald in artikel 14, § 1, van die wet.

    Het Hof van Beroep te Brussel heeft vragen bij de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het door de wetgever ingevoerde verschil in behandeling tussen de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT