Arrest nr. 177/2018 van Grondwettelijk Hof, 6 december 2018

Datum uitspraak: 6 december 2018
Uitgevende instantie::Grondwettelijk Hof
SAMENVATTING

Burgerlijk Wetboek (art. 1479)

 
GRATIS UITTREKSEL

In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût,

wijst na beraad het volgende arrest :

  1. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

    Bij vonnis van 4 december 2017 in zake J.R. tegen G.R., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 december 2017, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vragen gesteld :

    1. « Schendt artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek niet in het bijzonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere, supranationale wettelijke bepalingen zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre, enerzijds, indien de wettelijk samenwonenden zich vóór de beëindiging van hun samenwoning tot de familierechtbank wenden, de maatregelen die zouden worden genomen, (behalve indien zij de kinderen betreffen) op de dag van die beëindiging van rechtswege een einde zullen nemen, en zelfs vroeger indien de rechter aldus beslist, en, anderzijds, indien de wettelijk samenwonenden zich na de beëindiging van hun samenwoning tot de familierechtbank wenden, de maatregelen die zouden worden genomen, (behalve indien zij de kinderen betreffen) een jaar later van rechtswege een einde zullen nemen, en zelfs vroeger indien de rechter aldus beslist, terwijl die beperkingen in de tijd geenszins bestaan ten aanzien van de maatregelen die dezelfde familierechtbank neemt met betrekking tot gehuwde koppels, en zelfs met betrekking tot feitelijk samenwonenden ? »;

    2. « Schendt artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek niet in het bijzonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere, supranationale wettelijke bepalingen zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en inzonderheid artikel 6, in zoverre het vereist dat wanneer de wettelijke samenwoning is verbroken, men zich binnen drie maanden na de beëindiging ervan tot de familierechtbank wendt, waarbij zulks in het bijzonder de facto een ongeoorloofde en onevenredige belemmering vormt van het recht op toegang tot een rechter, terwijl die beperking in de tijd geenszins bestaat ten aanzien van de maatregelen die dezelfde familierechtbank neemt met betrekking tot gehuwde koppels, en zelfs met betrekking tot feitelijk samenwonenden ? ».

    De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend.

    Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen.

    Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 oktober 2018 in beraad genomen.

    De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

    J.R. en G.R. hebben in 2012 een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd. Zij hebben geen gemeenschappelijke kinderen. Bij verzoekschrift ingediend ter griffie van de Familierechtbank Namen, afdeling Namen, op 6 juli 2017, verzoekt J.R. de Rechtbank voorlopige maatregelen te bevelen, op grond van artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek. Op 23 oktober 2017 verbreken J.R. en G.R. hun wettelijke samenwoning in der minne. Tijdens de terechtzitting van 13 november 2017 vragen de partijen aan de Rechtbank dat zij uitspraak doet over de gescheiden verblijven, de aanwijzing van een notaris-vereffenaar en de spreiding van de lasten met betrekking tot het onverdeelde onroerend goed.

    De Rechtbank stelt vast dat de wettelijke samenwoning is beëindigd en dat zij dus, met toepassing van artikel 1479, vierde lid en volgende (lees : derde en vierde lid), van het Burgerlijk Wetboek, de geldigheidsduur moet vaststellen van de maatregelen die zij beveelt en dat die duur in elk geval niet meer dan één jaar mag bedragen. De Rechtbank merkt op dat het dubbele verval waarin de in het geding...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT