Arrest nr. 172/2018 van Grondwettelijk Hof, 6 december 2018

Datum uitspraak: 6 december 2018
Uitgevende instantie::Grondwettelijk Hof
SAMENVATTING

Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (art. 19bis-11, § 2, vóór de opheffing ervan bij art. 15 van de wet van 31 mei 2017)

 
GRATIS UITTREKSEL

In zake : de prejudiciële vraag over artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, vóór de opheffing ervan bij artikel 15 van de wet van 31 mei 2017, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût,

wijst na beraad het volgende arrest :

  1. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

    Bij vonnis van 15 november 2016 in zake Ayten Seker tegen Xavier Mincke en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 juni 2017, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

    Voert artikel 19bis-11, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, in die zin geïnterpreteerd dat het de eigenaar van een voertuig dat is beschadigd naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij minstens twee voertuigen betrokken zijn en waarvoor de aansprakelijkheden niet konden worden vastgesteld, toelaat van zijn eigen verzekeraar van de aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen de vergoeding voor de schade aan zijn voertuig in de in dat artikel bepaalde mate te vorderen, een in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet onverantwoord verschil in behandeling in tussen die eigenaar en diegene die, in de hypothese dat de bestuurder van zijn voertuig aansprakelijk is gesteld, van zijn eigen aansprakelijkheidsverzekeraar niet de vergoeding van de schade aan zijn eigen voertuig kan vorderen, met toepassing van artikel 3, § 1, vierde lid, 1°, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en van artikel 8, 1°, van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, en die bijgevolg zou worden gediscrimineerd ten opzichte van de eerstgenoemde ?

    .

    De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Schuermans, advocaat bij de balie van Antwerpen, heeft een memorie ingediend.

    Bij beschikking van 25 september 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 oktober 2018 en de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT